Naar hoofdinhoud
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto, caravan dan wel enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of een gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en volgens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen. vaste standplaats: een terrein of terreingedeelte dat deel uitmaakt van een kampeerterrein en dat ter beschikking wordt gesteld voor de plaatsing van eenzelfde kampeermiddel gedurende een seizoen of een jaar, en niet volgtijdig wordt gebruikt. In afwijking van artikel 6 van deze verordening bedraagt het tarief ingeval gelegenheid tot verblijf wordt geboden in kampeermiddelen op vaste standplaatsen, die geschikt zijn voor gebruik of slechts gebruikt mogen worden gedurende de periode: van 1 april tot 1 november: € 135,00 per standplaats; in het voorseizoen (april, mei en juni): € 72,50 per standplaats; in het hoogseizoen (juli en augustus): € 120,00 per standplaats; in het naseizoen (september en oktober): € 25,00 per standplaats; van 1 november tot 1 april: € 27,00 per standplaats. In afwijking van het bepaalde in lid 2 wordt op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedane aanvraag de maatstaf van heffing vastgesteld op het werkelijke aantal overnachtingen, indien blijkt dat het tarief gebaseerd op dit aantal lager is dan het tarief op grond van lid 2.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel