Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4.1

Eisen ten aanzien van de tracébepaling

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Gemeente Zuidplas

De GCKL dient het voorgenomen tracé goed te keuren. Bij de tracébepaling van leidingen zijn drie aspecten van belang: De horizontale ligging; De verticale ligging; De onderlinge afstand tussen de kabels en leidingen in de ondergrond. Deze aspecten worden beschouwd vanuit; Een optimaal gebruik en indeling van de openbare ruimte; Een ongestoorde exploitatie van leidingen; Optimaliseren van de veiligheid. Horizontale ligging In het tracé, bij een standaard tracé breedte zonder bomen en gerekend vanaf erfgrens/gevel, wordende distributieleidingen volgens een vaste volgorde (zie bijlage 1) ingedeeld. In het overig deel van de openbare weg liggen de transportleidingen. Met nadruk wordt erop gewezen dat bovengenoemd basisprincipe moet worden nagestreefd. De werkelijke situatie kan echter afwijken, waardoor de gemeente genoodzaakt is een andere indeling te bepalen. In bermen langs rijbanen is de afstand tot de zijkant van de verharding ten minste gelijk aan de diepteligging, tenzij anders wordt overeengekomen. Aanvullende eisen voor horizontale ligging (Graaf)werkzaamheden aan- of bij groenvoorzieningen en bomen worden zoveel mogelijk vermeden. Is dit onvermijdelijk dan wordt eerst overleg met de GCKL gevoerd, ongeacht er sprake is van een verlegging in een nieuw of een bestaand tracé. Bij het passeren van bomen moeten een aantal in dit handboek omschreven, voorzorgsmaatregelen worden getroffen die schade aan bomen en/of te leggen kabel/leiding voorkomt. Waar mogelijk zullen bij voorkeur alternatieve routes worden gekozen. Indien voor nieuwe kabels een tracé buiten de wortelzone niet mogelijk is, kan de gemeente bepalen dat de wortelzone gepasseerd moet worden door het boren van mantelbuizen onder de wortelzone. Verticale ligging In de ondergrond, bij een standaard tracébreedte zonder bomen en gerekend vanaf erfgrens/gevel, worden de distributieleidingen en transportleidingen volgens een vaste diepte ingedeeld. Met nadruk wordt erop gewezen dat voornoemd basisprincipe moet worden nagestreefd. In bepaalde gevallen kan de gemeente een andere diepteligging toestaan. Uitgangspunten bij verticale ligging: Distributieleidingen liggen niet dieper dan transportleidingen; o Vrij verval leidingen hebben voorrang boven drukleidingen; Bij kruisingen van leidingen met andere leidingen bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) tenminste 0,20 meter; Strook tussen 0,75 meter en 0,90 meter beneden het (toekomstige) maaiveld voor de (huis)aansluitingen van het riool vrijhouden. Aanvullende eisen voor verticale ligging Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt tenminste 0,50 meter, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding moet worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat moet aantoonbaar worden gegarandeerd om afwijkingen tijdens de uitvoering op te vangen. Bij het kruisen van sloten/open watergangen moet een minimale gronddekking van 1,00 meter ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang worden aangehouden. Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte moet een gronddekking van 2,00 meter ten opzichte van de aanwezige bodem worden aangehouden. Een en ander conform de eisen van het vigerende waterschap. Kruising gesloten verhardingen Het opbreken van gesloten verhardingen is zonder voorafgaand overleg met en verkregen toestemming van de GCKL niet toegestaan, waarbij door aanvrager aangetoond moet worden dat de gewenste opbreking niet te vermijden is. Bij de tracébepaling dienen aanwezige mantelbuizen ten behoeve van het kruisen van bestaande infrastructuur benut te worden tenzij dit technisch niet mogelijk blijkt. Ligging nabij andere objecten Objecten die kunnen worden beïnvloed door de tracering en aanleg van leidingen moeten vooraf door de aanvrager worden geïdentificeerd. Objecten kunnen onder meer zijn: bestaande wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, primaire- en secundaire waterkeringen, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende leidingen, lichtmasten, bomen en gebouwen. Ketenprincipe In een tracé kunnen secties voorkomen waarvoor door derden toestemming(en) en/of instemming(en) en/of vergunning(en) moet worden verleend. Deze secties kunnen onder meer zijn: kruisingen van rijks-, provinciale- en waterschap wegen, kruisingen van waterwegen, kruisingen van primaire- en secundaire waterkeringen of kruisingen van particuliere eigendommen. De gemeente zal pas overgaan tot behandeling van de aanvraag graaftoestemming als deze compleet is, wat in ieder geval inhoudt dat door alle betreffende derde belanghebbenden schriftelijk toestemming(en) en/of instemming(en) en/of vergunning(en) is verleend.

Rechtspraak bij dit artikel