Naar hoofdinhoud
1.. Het college bepaalt, met inachtneming van de artikelen 1.2.1 en 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet en de bepalingen in deze verordening, in samenspraak met de cliënt of deze in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en zo ja op welke wijze de inzet daarvan een passende bijdrage levert ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt dan wel ter voorziening in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang. 2.. Ter beoordeling van de noodzaak om een maatwerkvoorziening in te zetten onderzoekt het college: de hulpvraag van de cliënt; welke problemen zich voordoen bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door anderen uit het sociale netwerk de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; de mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene voorziening of een andere voorziening. 3.. Het onderzoek bedoeld in het tweede lid bestaat in ieder geval uit een keukentafelgesprek met de cliënt, en/of degene die namens de cliënt de melding heeft gedaan, en/of de vertegenwoordiger van de cliënt, waar mogelijk de mantelzorger(s), en/of desgewenst personen uit het sociale netwerk. 4.. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij het college, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van het gesprek als bedoeld in het derde lid.

Rechtspraak bij dit artikel