De gemeente kan een toegekend bedrag in het kader van een PGB terugvorderen indien niet aan de regels wordt voldaan. Om dit mogelijk te maken is een verplichte bepaling in de modelzorgovereenkomst opgenomen. Dit heet het ‘Derdenbeding’.
Deze verplichting vloeit voort uit een ministeriële regeling waar het ‘Derdenbeding’ als volgt is omschreven:
‘een beding, inhoudende dat het college een vordering heeft op de persoon die ten laste van een persoonsgebonden budget jeugdhulp/ maatschappelijke ondersteuning levert, indien het persoonsgebonden budget naar aanleiding van toerekenbaar handelen van die persoon is ingetrokken of herzien, ter hoogte van het bedrag dat gelijk is aan het door die persoon vanwege dat toerekenbaar handelen ten laste van het persoonsgebonden budget ten onrechte ontvangen bedrag’.
Deze bepaling geeft gemeenten/zorgkantoren de mogelijkheid om bij de zorgverlener terug te vorderen als de zorgverlener de vordering kan worden toegerekend. Een eventuele vordering gaat altijd alleen om het gedeelte van het budget wat niet conform de regels is uitgegeven.
Het derdenbeding zorgt ervoor dat de gemeente een privaatrechtelijke vordering heeft op de zorgverlener, wanneer voldaan is aan de vereisten van dit beding. De grondslag voor deze vordering is het derdenbeding. De SVB heeft geen taak bij de terugvordering op grond van het derdenbeding. De juridische afdeling van een gemeente kan adviseren hoe een dergelijke vordering daadwerkelijk in gang gezet kan worden.