Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3.

Artikel 9.

Algemene uitgangspunten en criteria voor maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2022

1.. Het college draagt zorg voor het beschikbaar maken van de volgende individuele voorzieningen in het kader van de Jeugdwet: de ondersteuning, hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen of gedragsproblemen van de jeugdige, of opvoedingsproblemen; het ondersteunen van jeugdigen met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en bevorderen van het zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer; persoonlijke verzorging, die voor jeugdigen tot 18 jaar sinds 2015 in de Jeugdwet is opgenomen; jeugdbescherming en jeugdreclassering; jeugdhulp in het residentiële kader. 2.. Het college draagt zorg voor het beschikbaar maken van de volgende overige voorzieningen in het kader van de Jeugdwet: voorzieningen ter voorkoming van jeugdhulp en in het kader van preventief jeugdbeleid: informatie en (opvoed)advies; signaleren van problemen; toeleiding tot hulpaanbod; licht pedagogische hulp; coördinatie van zorg. participatie; diagnose, waar noodzakelijk voor toegang tot een individuele voorziening. 3.. Het college draagt zorg voor het beschikbaar maken van maatwerkvoorzieningen in het kader van de Wmo 2015; ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen, beschermd thuis en maatschappelijke opvang. 4.. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 5.. Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend voor zover:: er geen voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; de cliënt de beperkingen niet kan wegnemen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met vrijwilligerswerk of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; de cliënt de beperkingen niet kan wegnemen met gebruikmaking van algemene voorzieningen; de cliënt de voorziening niet vóór de datum van het besluit op de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; voor zover deze als de goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt; de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; de cliënt geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond. De maatwerkvoorziening , rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage levert aanhet realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie geldt daarnaast dat deze alleen kan worden toegekend voor zover: de beperkingen het gevolg zijn van een lichamelijke, geestelijke, verstandelijk oorzaak; een chronisch psychisch probleem of een psycho-sociaal probleem;de voorziening voorzienbaar was, maar van de inwoner redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt; de voorziening langdurig noodzakelijk is; het geen algemeen gebruikelijke voorziening betreft. 6.. De maatschappelijke ondersteuning vindt plaats in de vorm van een arrangement binnen één of meer van de volgende resultaatgebieden: Resultaatgebied 1: Sociaal en persoonlijk functioneren: draagt ertoe bij dat de cliënt zelfredzaam kan participeren in een sociale leefomgeving. Ondersteuning is gericht op het (re)vitaliseren en onderhouden van een sociaal netwerk en omgeving, dat ondersteunend is bij maatschappelijke participatie (gericht op aspecten die niet in de cliënt gelegen zijn) Resultaatgebied 2: Financiën: richt zich op het creëren en behouden van overzicht en controle op een gezonde financiële huishouding. Resultaatgebied 3: Huisvesting: draagt ertoe bij dat cliënten een betaalbare en geschikte huisvesting hebben en kunnen houden. Hulp is onder meer gericht op een veilige, toereikende en (waar mogelijk) autonome huisvesting, die past bij de beperking die iemand mogelijk heeft. Resultaatgebied 4: Daginvulling: draagt ertoe bij dat cliënt op zinvolle wijze de dagen kan invullen onder toezicht of met ondersteuning. Resultaatgebied 5:Ondersteuning en regie bij huishouden: draagt ertoe bij dat cliënt verantwoord zelfstandig kan blijven wonen. Het uitgangspunt is dat een schoon huis niet wil zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuild is en periodiek schoon wordt gemaakt om zo te zorgen voor een algemeen aanvaard basisniveau. Hierbij wordt aangesloten bij het H4 Normenkader Ondersteuning en Regie bij huishouden en de Kwaliteitsnormering Schoon en leefbaar op basis van NEN2075 van de Vereniging Schoonmaak Research. Resultaatgebied 6: Gezondheid: draagt ertoe bij dat de cliënt aandacht heeft voor zijn/haar gezondheid en het onderhouden en/of verbeteren daarvan. De resultaatgebieden bestaan uit verschillende intensiteiten (treden) die staan voor de zwaarte van de ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen een matrix van waaruit arrangementen samengesteld kunnen worden. Het is mogelijk om specifieke maatwerkvoorzieningen te indiceren. Daarnaast kunnen er aanvullende producten voor ondersteuning in de hier genoemde resultaatgebieden worden geïndiceerd. Naast de aanvullend te indiceren producten zijn er ook de losse producten. Deze producten zijn niet gekoppeld aan een resultaatgebied en kunnen los worden ingezet (ze kunnen ook naast een bestaande indicatie worden ingezet als dit nodig is). Van deze losse producten is het ‘hoe’ meer vastgelegd. Het is daarom geen resultaatgebied. De zorgaanbieder heeft minder vrijheid bij de invulling van de ondersteuning en moet aan specifieke kenmerken voldoen om dit product te leveren. Deze losse producten zijn: kortdurend verblijf ontmoetingscentra 7.. Een inwoner komt in aanmerking voor een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet indien: Diens woonplaats voldoet aan de definitie uit het Convenant uitvoering woonplaatsbeginsel Jeugdwet; De jeugdige op eigen kracht, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en; Er geen oplossing gevonden kan worden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige en/of andere voorziening zoals bedoeld in artikel 17 van deze verordening. 8.. Als een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing of hulpmiddel noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen; de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de hulpvraag van de inwoner. 9.. Het college kan bij nadere regeling, binnen de kaders van de Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening, aanvullende voorwaarden stellen aan de toekenning, resultaatgebieden en intensiteiten van een maatwerkvoorziening, indien zij dit noodzakelijk acht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel