Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.3

Drempelbedrag, inkomen, vermogen en draagkracht

Onderdeel van Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Laren

2.3.1 Drempelbedrag Op grond van artikel 35 lid 2 van de Participatiewet kan de gemeente per twaalf maanden een drempelbedrag hanteren voordat een aanvraag voor bijzondere bijstand kan worden ingediend. Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt geen drempelbedrag gehanteerd. De redenen hiervoor zijn: •. bij andere instanties wordt vaak ook al een eigen bijdrage gevraagd; •. de psychologische barrière om bijzondere bijstand aan te vragen wordt verkleind; •. de duidelijkheid naar de belanghebbende wordt vergroot; •. de bijzondere bijstand is de laatste voorziening welke voor belanghebbende openstaat; •. vermindering bureaucratie en administratieve afhandelingen. 2.3.2 Inkomen 1.. De inkomenscomponenten, die op grond van artikel 32 van de Participatiewet tot het inkomen worden gerekend, worden ook in het kader van de bijzondere bijstand als inkomen aangemerkt, echter exclusief vakantiegeld. De inkomenscomponenten waarover vakantiegeld wordt uitbetaald, worden verhoogd met het vakantiegeldpercentage, dat wordt toegepast voor de bijstand (percentage van artikel 19 lid 3 van de Participatiewet). 2.. De peildatum van het inkomen is de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt. 3.. Het inkomen van een zelfstandige is de jaarwinst verminderd met 23% (peildatum 1 januari). De jaarwinst wordt vastgesteld aan de hand van het jaarverslag van het boekjaar voorafgaande aan de peildatum. 2.3.3 Vermogen 1.. Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand. 2.. Het vermogen wordt vastgesteld per de eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt. Dat betekent dat het vermogen bij een aanvraag bijzondere bijstand afzonderlijk van de vermogensvaststelling in het kader van de algemene bijstand wordt vastgesteld. De reden hiervoor is, dat een eerder vastgestelde vermogenspositie kan zijn gewijzigd. 3.. Er geldt een extra vermogensvrijlating (zie financieel besluit) indien er sprake is van uitvaartreservering, mits het geld is vastgezet ten behoeve van de uitvaart en niet eerder opneembaar is. Deze vrijlating geldt alleen als er geen uitvaartverzekering is afgesloten. Is een uitvaartverzekering afgesloten tegen een (veel) lager bedrag, dan kan een bedrag worden vrijgelaten tot het verschil van de verzekeringsdekking en de maximale extra vermogensvrijlating. 4.. Een auto, waarvan de waarde niet hoger is dan € 3.630,24 wordt vrijgelaten. De ANWB/BOVAG lijst wordt hiervoor gehanteerd, waarbij de laagste waarde (inkoop garagebedrijf) wordt genomen. De staat van de auto, bijv. schadevrij, kilometrage e.d. zijn daarbij van belang. Indien er sprake is van een afwijkende staat (bijv. schade, een hoog kilometrage) dan kan de waarde opgevraagd worden bij een garage. 2.3.4 Draagkracht 1.. De draagkracht bestaat uit draagkracht uit vermogen en draagkracht uit inkomen. 2.. Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht. 3.. Eerst wordt gekeken of er draagkracht uit vermogen is, daarna naar draagkracht uit inkomen. 2.3.5 Draagkracht uit inkomen 1.. Als een belanghebbende beschikt over een inkomen, dat hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, dan is er draagkracht. 2.. Voor een aantal kosten geldt echter dat er draagkracht is bij een inkomen hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm. Deze kosten zijn vermeld in het derde lid onder b van dit artikel. 3.. Het inkomen kan worden verminderd in verband met buitengewone uitgaven. Er kan slechts van buitengewone uitgaven sprake zijn voor zover voor die uitgaven geen tegemoetkoming wordt verleend. Als buitengewone uitgaven die van invloed zijn op het inkomen (voordat een draagkrachtpercentage wordt toegepast), worden de volgende kosten aangemerkt: a.. woonkosten, tot het verschil tussen de maximaal mogelijke huurtoeslag op basis van een inkomen op bijstandsniveau en de feitelijk ontvangen huurtoeslag; b.. voor eigen rekening blijvende reiskosten woon-werkverkeer; c.. formeel verschuldigde en betaalde alimentatie en onderhoudsbijdragen. d.. de toegepaste draagkracht bij de gemeentelijke belastingen . 4.. a.. Voor de vaststelling van de draagkracht wordt het inkomen voor zover het hoger is dan 120% van toepasselijke bijstandsnorm volledig in aanmerking genomen en als draagkracht vastgesteld. b.. Voor de vaststelling van de draagkracht wordt het inkomen voor zover het hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm volledig in aanmerking genomen en als draagkracht vastgesteld indien het de volgende kosten betreft •. duurzame gebruiksgoederen; •. levensonderhoud van jongeren van 18, 19 of 20 jaar; •. arbeidsongeschiktheidsverzekering; •. woonlasten; •. schuldsanering; •. verhuizing; •. woninginrichting en kosten suppletie; •. uitvaart. 2.3.6 Draagkracht uit vermogen 1.. Het vermogen wordt tot aan de van toepassing zijnde grens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet buiten beschouwing gelaten. Het vermogen boven deze grens wordt volledig in aanmerking genomen voor de draagkracht. Dit betekent ook dat de vrijlating van artikel 34 lid 2 onder c Participatiewet niet van toepassing is. 2.. Voor de volgende kosten wordt het volledige vermogen als draagkracht in aanmerking genomen, en is de vrijlating van artikel 34 lid 3 Participatiewet niet van toepassing: •. duurzame gebruiksgoederen. •. schuldsanering; •. verhuizing; •. woninginrichting en kosten suppletie; •. kosten crematie/uitvaart. 2.3.7 Draagkrachtperiode 1.. De draagkrachtperiode gaat in op eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt. 2.. Indien de aanvraag betrekking heeft op nog te maken kosten, wordt het inkomen en vermogen vastgesteld per de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan. 3.. De draagkracht wordt voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. 4.. De draagkracht wordt voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en ouder telkens voor een periode van drie jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. 5.. Indien één persoon jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd en één ouder dient gekeken te worden naar het soort inkomen. Wanneer hierin nog wijzigingen worden verwacht, dient de draagkracht voor één jaar te worden vastgesteld. 6.. Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht; de vastgestelde (resterende) draagkracht blijft dus gelden. 7.. In afwijking van het zesde lid kan in bijzondere situaties, waarin een jaardraagkracht onrechtvaardig werkt, de draagkracht voor een afwijkende periode worden vastgesteld. De aanvangsdatum van de draagkrachtperiode kan op een andere dag bepaald worden, indien de omstandigheden dat vragen. 8.. In afwijking van het zesde lid wordt de draagkracht in het vastgestelde draagkrachtjaar gewijzigd als het inkomen met meer dan 10% daalt of stijgt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel