Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.1

Opgroeien in veiligheid

Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning

Een van de doelen van de Jeugdwet is dat kinderen veilig en gezond opgroeien. Dit veilig en gezond opgroeien gebeurt bij voorkeur thuis, bij de eigen ouders. Ouders zijn immers primair verantwoordelijk voor het bieden van een veilig thuis en een gezonde ontwikkeling aan hun kind. Het Lokaal Team onderzoekt daarom altijd eerst welke ondersteuning nodig is om veilig en gezond thuis te kunnen opgroeien. Dat kan ondersteuning zijn vanuit het sociaal netwerk of in de vorm van een algemene voorziening, zoals de hulp van een gezin uit de buurt waar het kind zo nu en dan opgevangen wordt. De inzet is altijd om een uithuisplaatsing zoveel als mogelijk te voorkomen. Maatwerkvoorzieningen waarmee uithuisplaatsing kan worden voorkomen, zijn bijvoorbeeld ambulante begeleiding en gezins- of systeemtherapie. Als kinderen niet meer thuis kunnen wonen, heeft het de voorkeur dat jeugdigen ‘zo thuis mogelijk’ te laten opgroeien. Hiermee wordt bedoeld dat 1) jeugdigen fysiek gezien zo dicht mogelijk bij het ouderlijk huis opgroeien en 2) dat de plek waar de jeugdige verblijft zoveel mogelijk een gezinsvorm is. Te denken valt aan pleegzorg of een gezinshuis als maatwerkvoorziening. In bepaalde situaties is een andere vorm van wonen met begeleiding/behandeling noodzakelijk. Bijvoorbeeld in een leef-, woon- of behandelgroep of in een meer besloten instelling (de zogenaamde essentiële functies: gesloten jeugdzorg/ driemilieuvoorziening). Telkens wordt op basis van de problematiek, de specifieke situatie de en behoeften van de jeugdige bekeken welke maatwerkvoorziening Jeugdhulp ambulant of met verblijf de goedkoopst passende is. In deze paragraaf worden de hierboven genoemde maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp met verblijf nader toegelicht en wordt beschreven hoe gehandeld wordt bij de toekenning daarvan. 6.1.1 Pleegzorg Uitvoering Voor pleegzorg geldt dat altijd eerst wordt ingezet op ‘kindgericht werven’. Daarmee wordt eerst onderzocht of het netwerk kan voorzien in een netwerkpleegzorgplaatsing. Als hier niet in kan worden voorzien, wordt ingezet op pleegzorg via bestaande pleeggezinnen (bestandspleeggezinnen). Ingezet wordt op een zo kortdurend mogelijke pleegzorg. Hierbij wordt ook afgewogen of weekendpleegzorg een goed alternatief is. Bij de start van de pleegzorgbegeleiding maken betrokkenen (de jeugdige, de ouders, pleegouders, de pleegzorgaanbieder, Lokaal Team en eventueel de gecertificeerde instelling) afspraken over de doelen van de pleegzorgbegeleiding, de ondersteuning van de biologische en/of juridische ouder(s), coördinatie van zorg en wie het initiatief neemt voor evaluatiegesprekken en het opstellen van een perspectiefplan. In de evaluatiegesprekken wordt gekeken of de eerder gestelde doelen behaald of nog van toepassing zijn of en welke vervolghulp/ begeleiding nodig is en wie daarvoor aanspreekpunt is (coördinatie van zorg). Indien de pleegzorg stopt (bijvoorbeeld omdat de jeugdige 18 jaar is geworden en daartoe besluit) wordt in deze evaluatie besproken hoe de jeugdige en de andere betrokkenen terugkijken op de hulpverlening. Hierbij kan ook aan bod komen welke hulp of ondersteuning de volwassene dan nodig heeft. Om te bepalen of verlengde pleegzorg ook nog vanaf 21 jaar nodig is, is het belangrijk dat de betrokkenen (jeugdige zelf, ouders, pleegouders, pleegzorgaanbieder, Lokaal Team en eventueel de gecertificeerde instelling) rond de 20ste verjaardag van de jongere een evaluatiegesprek voeren waarbij het perspectief op de toekomst wordt besproken en afspraken worden vastgelegd in een plan. Omdat een jeugdige met 18 jaar voor de wet volwassen is en de pleegzorgrelatie kan beëindigen, dient een dergelijk gesprek waarbij het perspectief aan de orde komt bij voorkeur ook al rond de 17e verjaardag te worden gevoerd. Veelal neemt de pleegzorgaanbieder hiertoe het initiatief. De overige voorwaarden voor verlengde jeugdhulp zijn beschreven in paragraaf 6.5. Pleegvergoeding, toeslagen en vergoeding bijzondere kosten De pleegvergoeding is bedoeld voor de kosten van de verzorging en de opvoeding van de in het gezin of bij pleegouder geplaatste jeugdige. De vergoeding bestaat uit een basisbedrag dat kan worden vermeerderd met een toeslag of verminderd met een korting. Een toeslag kan worden toegekend bij crisisplaatsing, bij de opvang van drie of meer pleegkinderen of de opvang van een pleegkind met een verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke beperking. Een korting kan worden toegepast voor de periode dat het pleegkind in verband met bijzondere omstandigheden tijdelijk elders verblijft. Zie ook artikel 5.1 en 5.2 van de Regeling Jeugdwet. De hoogte van het basisbedrag wordt jaarlijks vastgesteld door de Rijksoverheid, evenals het bedrag dat maximaal als toeslag kan worden toegekend. De pleegzorgaanbieder verstrekt de pleegvergoeding en beslist over de toekenning van toeslagen en toepassing van kortingen. Een pleegoudervoogd dan wel een pleegouder die een pleegkind opvangt in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel, kan rechtstreeks bij de pleegzorgaanbieder een vergoeding voor ‘bijzondere kosten’ aanvragen, voor zover: de kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk zijn en niet voldaan kunnen worden uit de pleegvergoeding of toeslagen; voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt; de kosten redelijkerwijs niet zijn te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders. Voorbeelden van kosten waarvoor een vergoeding ‘bijzondere kosten’ kan worden aangevraagd zijn een door school gevraagde ouderbijdrage, bijdrage voor een schoolreis, kosten voor zwemles voor het A-diploma, de aanschaf van een laptop/schoolboeken, van een fiets, van kleding in verband met een bepaalde beroepsopleiding of paspoort of Europese identiteitskaart. De pleegzorgaanbieder is bevoegd tot bedragen van € 200,- zelfstandig te beslissen op een aanvraag vergoeding ‘bijzondere kosten’. Voor bedragen tussen de € 200,- en € 500,- moet de pleegzorgaanbieder overleggen met het Lokaal Team. Voor het toekennen van een vergoeding ‘bijzondere kosten’ boven de € 500,- is nadrukkelijk toestemming van het Lokaal Team vereist. De pleegzorgaanbieder kan de kosten die als vergoeding ‘bijzondere kosten’ aan pleegouders zijn toegekend, declareren bij de gemeente mits aan bovenstaande eisen is voldaan en de declaratie van een onderbouwing en financiële bewijsstukken is voorzien. 6.1.2 Gezinshuizen Verblijf in een gezinshuis vanaf 18 jaar Begin 2020 is net als voor pleegzorg, ook voor verblijf in een gezinshuis de maximale leeftijd veranderd van 18 naar 21 jaar. De extra tijd binnen het gezinshuis draagt daarmee bij aan de basisveiligheid van een jongvolwassene. Dit kan bovendien het toekomstperspectief ten goede veranderen. Het verblijf in het gezinshuis wordt gecontinueerd zolang als nodig is tot uiterlijk 21 jaar, om te bepalen of een jongere zelfstandig kan wonen, of dat een andere woonvorm passender is (bijv. volwassen leefgroep). Het verblijf in het gezinshuis wordt verlengd tot de leeftijdgrens van 21 jaar, tenzij: de (volwassen) jeugdige dat zelf niet wil; en/of de gezinshuisouder(s) niet instemmen; en/of voor alle partijen (inclusief de jeugdige) duidelijk is dat de jeugdige andere passende hulp nodig heeft en die hulp ook beschikbaar is; en/of de jeugdige voldoet aan de criteria van de Wlz. Verblijf in een gezinshuis als vorm van verlengde jeugdhulp blijft mogelijk vanaf 21 jaar tot 23 jaar (verlengd verblijf in een gezinshuis). Eén van de wettelijke voorwaarden voor het inzetten van verlengde jeugdhulp is dat het jeugdhulptraject al vóór het 18e jaar is gestart (artikel 1.1 Jeugdwet). Dit geldt ook voor verlengd verblijf in een gezinshuis. Om te bepalen of na het 21ste jaar nog verlengd verblijf in een gezinshuis nodig is, is het ook hier van belang dat tijdig, rond de 20ste verjaardag van de jeugdige, een evaluatiegesprek wordt gevoerd waarin het perspectief op de toekomst wordt besproken en afspraken worden vastgelegd in een plan. Omdat een jeugdige met 18 jaar voor de wet volwassen is en het verblijf in het gezinshuis dan kan beëindigen, dient een dergelijk gesprek waarbij het perspectief aan de orde komt, ook al rond de 17e verjaardag te worden gevoerd. 6.1.3 Andere vormen van wonen met begeleiding en/of behandeling Het scala aan andere vormen van wonen (‘verblijf’) met begeleiding en/of behandeling als maatwerkvoorziening is groot. Het gaat om leef-, woon- of behandelgroepen in een meer open setting (zoals bij Timon, Rading en Youké) en een meer gesloten setting (essentiële verblijfsvoorziening). De aard van de problematiek bepaalt wat de best passende maatwerkvoorziening is. Wat de best passende maatwerkvoorziening is wordt door het Lokaal Team bepaald, in samenspraak met de betrokken jeugdhulpaanbieders en - verleners. Veel voorkomende vormen van wonen met begeleiding en/of behandeling zijn bijvoorbeeld het kamertrainingscentra (KTC) en het Moeder-Kindhuis. Crisishulp Er is sprake van crisis als er binnen 24 uur iets moet gebeuren. Als problemen in een gezin acuut zijn en ambulante spoedhulp niet toereikend is, kunnen kinderen (onder 12 jaar) en jongeren (vanaf 12 jaar) maximaal 28 dagen geplaatst worden in een crisispleeggezin respectievelijk een crisisopvang. Tijdens het verblijf in de crisisopvang onderzoeken betrokkenen (hulpverleners, ouders en de jeugdige) samen wat het beste vervolg is voor de jeugdige en het gezin: terug naar huis of naar een plek buiten het gezin, bijvoorbeeld in een pleeggezin, gezinshuis of in een leef-, woon- of behandelgroep. Essentiële functies De essentiële functies is de specialistische zorg voor kinderen en jongeren in een zeer kwetsbare positie. Met 24-uurs behandeling moet de stabiliteit, veiligheid en positieve interactie tussen het kind en zijn omgeving herstellen. Het omvat de ‘producten’ driemilieuvoorziening, Jeugdzorg+ en klinische opnames. Het zijn verblijfsvormen waar een noodzaak is tot toevoeging en inzet van specifieke expertise, namelijk kennis en ervaring met: jeugdigen die zeer ernstig ontregelend gedrag laten zien; jeugdigen waarbij in hoge mate hechtingsproblemen en -stoornissen en trauma/PTSS spelen; jeugdigen in gezinssystemen waarbij een veelzijdige combinatie van problematiek aanwezig is; (wetenschappelijk en praktijk-onderbouwde) effectieve inzet van (groeps-)begeleiding en behandeling. In bijzondere gevallen kan het verblijf gesloten van karakter zijn: jeugdzorg plus. Dit betekent dat de jeugdige niet kan gaan en staan waar hij wil, omdat wordt ingeschat dat een jongere een gevaar is voor zichzelf of zijn omgeving. Gewerkt wordt aan terugkeer naar huis, een traject richting zelfstandigheid, een vervolgbehandeling of een langer durende zorg en ondersteuning of een lichtere vorm van jeugdhulp met verblijf, zoals verblijf in een pleeggezin, gezinshuis of in een leef- of woongroep.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel