Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.3

Lokaal verplaatsen per vervoermiddel (Vervoer)

Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning

De Wmo heeft onder andere tot doel om het mogelijk te maken dat inwoners deel nemen in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol. Als een inwoner zich (tijdelijk) niet zelfstandig kan verplaatsen buiten zijn woning, vanwege een beperking of chronische ziekte, kan hiervoor een maatwerkvoorziening ‘vervoer’ worden toegekend om zich lokaal en regionaal te verplaatsen. We hanteren hiervoor een reikwijdte van maximaal 25 kilometers vanaf het woonadres. De vanuit de Wmo geboden ondersteuning bij het lokaal/regionaal verplaatsen, beperkt zich tot het vervoer met een sociaal recreatief doel. Denk aan het doen van boodschappen, winkelen, het bezoeken van familie/vrienden, van bijeenkomsten en (sport)activiteiten, van sociaal-culturele instellingen (theater/bioscoop) en plekken om te recreëren of een hobby uit te oefenen. Dit betekent dat de maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ niet bedoeld is voor het verplaatsen van en naar betaald werk, school, naar de dagbesteding of een ziekenhuisbezoek om zelf opgenomen of behandeld te worden. Wanneer een inwoner bij deze verplaatsingen belemmeringen ondervindt, kan een beroep worden gedaan op andere voorzieningen. Denk bijvoorbeeld aan ziekenvervoer vanuit de zorgverzekeringswet, het vervoer naar de dagbesteding wat geregeld wordt door de aanbieder of de regeling leerlingenvervoer. Ook het woon-werkverkeer valt niet onder de Wmo 2015, daarvoor blijven werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk (aanvraag via UWV). Een bezoek brengen aan iemand die in het ziekenhuis ligt, kan wel met een maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ vanuit de Wmo. Het vervoer naar het ziekenhuis heeft dan een sociaal doel. Oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorziening kan tot gevolg hebben dat de maatwerkvoorziening wordt ingetrokken. 5.3.1 Valys Voor verplaatsingen buiten de regio (als er verder gereisd moet worden dan 25 km vanaf het woonadres) kan men reizen met Valys. Dit, door de Rijksoverheid georganiseerde, bovenregionale vervoer maakt geen deel uit van het vervoer in het kader van de Wmo, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Valys is een aanvullende vervoersvoorziening voor het vervoer voor mensen met een beperking buiten de eigen regio. Voor meer informatie over de richtlijnen en kosten: https://valys.nl/. Als een inwoner geen bewijsdocument kan overleggen om in aanmerking te komen voor Valys, kan door het Lokaal Team een verklaring worden opgesteld indien de inwoner problemen heeft met het reizen met het openbaar vervoer. Met deze verklaring kan de inwoner een aanvraag doen voor Valys. 5.3.2 De vervoersbehoefte Het Lokaal Team onderzoekt wat de vervoersbehoefte van een inwoner is. Welke bestemmingen/locaties wil iemand bereiken? Wat is de vervoersfrequentie en welke belemmeringen ervaart iemand bij zichzelf verplaatsen buiten de woning? Afwegingskader Zoals eerder genoemd in het afwegingskader in hoofdstuk 3, onderzoekt het Lokaal Team altijd eerst of de belemmeringen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen, kunnen worden verminderd of weggenomen. Bij ‘ Vervoer’ ziet de gemeente IJsselstein onder eigen kracht de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening als deze het ondervonden vervoersprobleem kan verminderen of wegnemen. Dit kan bijvoorbeeld een tweedehands of nieuwe fiets, een fiets met een lage instap, een elektrische fiets of scooter zijn. De gebruikskosten van een (eigen) auto zijn tevens algemeen gebruikelijk. Verder valt ook het aanleren van vaardigheden, zoals het leren fietsen of behalen van een bromfietsrijbewijs onder algemeen gebruikelijke voorzieningen. Ook onderzoekt het Lokaal Team in welke mate er een beroep kan worden gedaan op gebruikelijke hulp of hulp vanuit het sociaal netwerk. Beschikt de partner of een meerjarige huisgenoot over een auto, kan de inwoner met de buurvrouw meerijden naar het zangkoor of kan een vriend of vriendin de inwoner ophalen voor een koffieafspraak? Wanneer de echtgenoot van de inwoner ook een beperking heeft en hiervan belemmeringen ondervindt bij het lokaal verplaatsen, kan de vervoersbehoefte van de inwoner en die van de echtgenoot samen worden beoordeeld. In het onderzoek weegt het Lokaal Team ook de leeftijd van de inwoner en de mate waarin zijn vervoersbehoefte afwijkt van die van een leeftijdgenoot zonder een beperking mee. Voorbeelden van andere voorzieningen waarop een beroep kan worden gedaan, zijn zoals eerder genoemd leerlingenvervoer (vervoer van huis naar school en visa versa), ziekenhuisvervoer vanuit de Zvw of vervoer van- en naar werk vanuit het UWV. Wanneer een inwoner op basis van een Wlz-indicatie in een instelling verblijft, dan dient ook het vervoer vanuit de Wlz te worden gefinancierd. Andere voorbeelden van algemene voorzieningen die beschikbaar zijn voor vervoer binnen of buiten IJsselstein zijn de Pulse Pendel en De Gouden Koets (van Stichting Gouden Dagen). Als iemand vanwege zijn beperking niet meer zelf mag autorijden, kan het reizen met openbaar vervoer als algemene voorziening een alternatief zijn. Om te beoordelen of openbaar vervoer als algemene voorziening een door een inwoner ondervonden vervoersprobleem kan verminderen of wegnemen, kijkt het Lokaal Team naar de volgende aspecten: Is het mogelijk (eventueel met gebruikelijke hulp, hulp uit eigen netwerk) gebruik te maken van het openbaar vervoer? Denk bijvoorbeeld aan een partner of vriend die kan begeleiden, de GO-OV-app, OV-maatjesprojecten, een OV-begeleiderskaart of therapie om een angststoornis te behandelen of begeleiding om het reizen met OV aan te leren. Wanneer een inwoner gezien zijn beperking op grond van de site van OV9292.nl (https://9292.nl/extra/toegankelijkheid) met trein/bus/tram kan reizen, is het openbaar vervoer voor de inwoner fysiek toegankelijk. Kijk daarnaast of de inwoner voldoet aan de volgende criteria; Is in staat om 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen, af te leggen om de dichtstbijzijnde bushalte te bereiken? Is in staat de wachttijd voor het instappen te overbruggen (is er mogelijkheid om te zitten bij de bushalte?)? Is in staat om zelf in en uit te stappen uit de bus, tram of trein? Is zelf in staat om regie te voeren tijdens en na de reis? Enkel wanneer bovenstaande opties het vervoersprobleem naar het oordeel van het Lokaal Team onvoldoende verminderen of wegnemen, kan vanuit de Wmo één of meerdere maatwerkvoorzieningen ‘Vervoer’ worden toegekend. Verder geldt dat er sprake moet zijn van een structurele, frequente vervoersbehoefte. 5.3.3 Vervoersvoorzieningen Een aangepaste fiets Hiermee worden fietsen bedoeld die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met en beperking en die alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht, denk aan de driewielfiets en de duofiets. Om in aanmerking te komen voor een aangepaste fiets of fietsvoorziening op grond van de Wmo, moet uit het onderzoek blijken dat er een medische grondslag is die maakt dat een algemeen gebruikelijk alternatief in de situatie van de inwoner niet volstaat en dat de inwoner in staat is om de beoogde aangepaste fiets of fietsvoorziening veilig te gebruiken. Tot slot moet de inwoner in principe zelf zorgen voor een adequate stallingsmogelijkheid (een afgesloten ruimte zoals een schuur, garage of hal van de woning waarmee de fiets/ -voorziening beschermd wordt tegen weersinvloeden, vernieling en diefstal). Het (nog) niet beschikken over een fiets of nog niet kunnen fietsen zijn geen redenen om een aangepaste fiets of fietsvoorziening als maatwerkvoorziening Wmo Vervoer te verstrekken. Scootmobiel Een scootmobiel is bedoeld om te voorzien in de dagelijkse vervoersbehoefte op de (zeer) korte en middellange afstanden. Voorwaarden voor een scootmobiel zijn ernstige belemmeringen in de sta- en loopfunctie en dat er ten gevolge hiervan problemen bij het verplaatsen buitenshuis zijn op de zeer korte afstand (tot 100 meter) of de iets langere afstanden (tot 500 meter). Verder moet de inwoner in staat zijn om zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen en om de scootmobiel op een adequate wijze (technisch) te bedienen en zelfstandig deel te nemen aan het verkeer op de openbare weg. Stallingsmogelijkheid De inwoner zal moeten beschikken over een adequate stallingsruimte om de scootmobiel op te laden en te beschermen tegen weersinvloeden, vernieling en diefstal. Met een adequate stallingsruimte wordt een afgesloten ruimte (schuur, garage of hal van een wooncomplex, mits de scootmobiel de veiligheid in het complex niet in gevaar brengt) bedoeld of een (af)dak waar het voertuig onder gestald kan worden. Daarnaast is stroomvoorziening vereist. Indien erg geen adequate stallingsmogelijkheid aanwezig is en de inwoner aantoonbaar niet in staat is om adequate stalling te realiseren, een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo gerealiseerd worden. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopst passende oplossing. Uitvoeringen Er zijn verschillende uitvoeringen met onder andere verschil in actieradius en snelheid. Het Lokaal Team betrekt bij de afweging het doel waarvoor de scootmobiel wordt toegekend. Uiteindelijk verstrekt het Lokaal Team de goedkoopst passende scootmobiel. Scootmobielen met extra grote actieradius en afwijkende hoge snelheid (meer dan 15 kilometer per uur) worden niet verstrekt. Aan personen voor wie een zwaardere, bredere of beter geveerde uitvoering medisch noodzakelijk is, kan wel een andere dan de gebruikelijke uitvoering worden toegekend. Accessoires bij de scootmobiel (denk aan een windscherm bij bijvoorbeeld longproblematiek wat het rijden beïnvloed etc.) worden enkel verstrekt als dit naar het oordeel van het Lokaal Team noodzakelijk is gezien de beperkingen van de inwoner en/of het doel waarvoor de scootmobiel als maatwerkvoorziening wordt toegekend. Wenselijke accessoires vanuit de inwoner kunnen bij de leverancier op eigen kosten aangeschaft worden. Ditzelfde geldt voor andere accu’s die een grotere actieradius bewerkstelligen. 5.3.4 Wmo vervoerspas – Regiotaxi De Regiotaxi is een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) dat met (rolstoel)busjes en taxi’s vervoer van deur tot deur/halte (en visa versa) biedt voor iedere inwoner van IJsselstein. Een inwoner die een Wmo-vervoerspas als maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ toegekend krijgt, kan tegen gereduceerd tarief een aan hem toegekend aantal kilometers per jaar (kilometerbudget) met de regiotaxi reizen in de regio (binnen een straal van 25 kilometer hemelsbreed gemeten vanaf zijn woning). Er geldt buiten het instap- en reizigerstarief, geen eigen bijdrage op grond van de Wmo. De hoogte van het tarief van Wmo-vervoerspas wordt jaarlijks bij collegebesluit vastgesteld en gecommuniceerd. Het tarief is terug te vinden in het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. De Regiotaxi kan ook zonder Wmo-vervoerspas gebruikt worden. De gebruiker betaalt dan een commercieel tarief. Het commerciële tarief ligt boven dat van het openbaar vervoer maar onder dat van een reguliere taxi. Een Wmo-vervoerspas wordt alleen toegekend als andere opties (uit het afwegingskader) onvoldoende opties bieden en als sprake is van sociaal recreatieve doeleinden. Denk hierbij aan een ritje naar de sportclub, het zangkoor, de kapper, of om familie of vrienden te bezoeken (in het ziekenhuis). Voor andere doeleinden dan sociaal recreatief vervoer gelden andere wetgeving / regelgevingen: Wmo: Als vervoer van en naar een dagbesteding noodzakelijk is, kan hiervoor bij de maatwerkvoorziening OMD hiervoor een extra indicatie worden afgegeven. Wlz: Als een cliënt gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt op een locatie die niet dezelfde is als de verblijfslocatie, kan het verzekerd pakket tevens het vervoer van en naar die locatie omvatten. Zorgverzekeringsweg (Zwv); bijvoorbeeld vervoer in verband met een medische behandeling UWV: vervoer in het kader van arbeid Onderwijs: leerlingenvervoer Het vervoer van de Regiotaxi is van deur tot deur/halte. De chauffeur helpt bij het in- en uitstappen en begeleidt, indien nodig en mogelijk, tot aan de deur. Een inwoner mag één medereiziger mee laten reizen tegen hetzelfde tarief. Ook kan een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel mee in de Regiotaxi, de inwoner krijgt hier dan een speciale aantekening van in het reizigersbestand. De kenmerken van de inwoner kan het Lokaal Team registreren door middel van codes die zijn opgenomen in het Woordenboek Reizigerskenmerken. Door gebruik van deze codes kan op ene eenduidige wijze worden vastgelegd wat de reiziger nodig heeft om een (keten)reis te maken. Als de regiotaxipas twee jaar aansluitend niet wordt gebruikt, kan deze worden beëindigd. De inwoner wordt hiervan middels een beschikking op de hoogte gesteld. 5.3.5 Kilometerbudget Het kilometerbudget betreft het aantal kilometers dat een inwoner in één jaar maximaal tegen gereduceerd tarief op vertoon van de Wmo-vervoerspas met de Regiotaxi kan reizen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een klein, midden en een groot kilometerbudget. Het oordeel van het Lokaal Team om een klein, midden of een groot kilometerbudget toe te kennen, hangt af van: De vervoersbehoefte in relatie tot het vervoersprobleem van de inwoner en het doel waarvoor de maatwerkvoorziening wordt toegekend. De mate waarin de ondersteuningsvraag op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere en/of algemene voorzieningen kan worden opgelost. Eventuele andere maatwerkvoorzieningen Wmo ‘Vervoer’ die zijn of worden toegekend. Voor het vaststellen van de hoogte van het kilometerbudget, hanteert het Lokaal Team onderstaande tabel als richtlijn. Kilometers die in een jaar niet worden benut, kunnen niet worden toegevoegd aan het budget van het jaar daarop. Soorten kilometerbudget Omschrijving Klein (0-300 kilometer per jaar) Inwoner is slechts sporadisch afhankelijk van de regiotaxi. Inwoner is in staat middellange afstanden grotendeels op eigen kracht af te leggen en/of daarvoor gebruik te maken van voorzieningen. Midden (300- 750 kilometer per jaar) Inwoner is deels afhankelijk van de regiotaxi. Inwoner kan (delen van de) afstanden afleggen op eigen kracht en/of gebruik te maken van voorzieningen, maar is voor (delen van de) afstanden ook afhankelijk van de regiotaxi. Inwoner beschikt over een maatwerkvoorziening Vervoer waarmee (delen van de) afstanden kunnen worden afgelegd. Denk aan een aangepaste fiets/ scootmobiel. Groot (750-1.500 kilometer per jaar) Inwoner is volledig afhankelijk van de regiotaxi. Bijvoorbeeld als gevolg van zijn beperkingen of omdat hij geen of slechts in beperkte mate gebruik kan maken van voorzieningen en reist regelmatig. Wanneer een inwoner gedurende de looptijd van beschikking van mening is dat het budget niet toereikend is, dan is het aan de inwoner om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij een groter kilometerbudget nodig heeft. Te denken valt aan extra reisbewegingen in verband met opname van een partner in een instelling of intensieve mantelzorg. Dan kan er een passend kilometerbudget worden toegekend in overleg met de kwaliteitsmedewerker. 5.3.6 Reizen met begeleider Indien er medische noodzaak is voor het meereizen van een begeleider, kan het Lokaal Team hiervoor een indicatie afgegeven. Dit geldt alleen in situaties waarin medische handelingen nodig zijn tijdens de rit. De begeleider reist gratis mee. Als men een dergelijke indicatie heeft, mag de inwoner niet meer zonder begeleider reizen. 5.3.7 Afzeggen Ritten Indien een inwoner herhaaldelijk zonder afzegging geen gebruik maakt van ritten die hij heeft aangevraagd (zogenoemde ‘loosmeldingen’) kan (al dan niet tijdelijk) zijn Wmo-vervoerspas geblokkeerd worden, waardoor gebruik van de Regiotaxi niet meer mogelijk is. Als dit speelt zal de Regiotaxi het Lokaal Team hierover inlichten. 5.3.8 Individueel vervoer per regiotaxi De regiotaxi is collectief vervoer. Dit betekent dat er meerdere mensen tegelijk (collectief) met een zelfde voertuig vervoerd worden naar hun bestemmingen. Het maximaal aantal personen dat in één voertuig tegelijk wordt vervoerd, bedraagt acht personen (taxibus). Naast dit vervoer per taxibus, kunnen mensen met de regiotaxi ook met een personenauto (taxi) of een rolstoeltaxibus worden vervoerd. In de zeer uitzonderlijke situatie dat iemand vanwege zijn beperking niet met anderen kan/mag reizen, kan het Lokaal Team op de indicatie voor de Wmo –vervoerspas aangeven dat het middels individueel vervoer wordt ingezet. Tijdens de ritten vindt dan geen combinatie plaats met andere reizigers. 5.3.9 Financiële tegemoetkoming voor individueel vervoer Als een maatwerkvoorziening wordt toegekend, wordt door het Lokaal Team altijd de goedkoopst passende maatwerkvoorziening verstrekt. Bij een vervoersprobleem is de Regiotaxi (het collectief vervoer) in veruit de meeste gevallen de goedkoopst passende maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’. Daarnaast wordt het primaat van het collectief vervoer gehanteerd, dat houdt in dat er alleen een individuele vervoersvoorziening wordt verstrekt als het collectief vervoer niet passend is. In uitzonderlijke situaties kan het voorkomen dat dit niet de best passende vorm van vervoer, of het goedkoopst is. Bijvoorbeeld in uitzonderlijke gevallen dat een inwoner met een vervoersprobleem op de korte afstanden een eigen auto voor de deur heeft staan en deze ook voor de korte afstanden kan/wil gebruiken. Het Lokaal Team onderzoekt of de inwoner daadwerkelijk meerkosten heeft ten opzichte van personen zonder beperkingen omdat de inwoner ook voor korte afstanden aangewezen is op het gebruik van eigen auto en of dit kan worden aangemerkt als de goedkoopst passende oplossing. Zoals gezegd beperkt de tegemoetkoming zich tot de kosten van het bovengebruikelijke gebruik van de eigen auto voor de korte afstanden. In het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning staat beschreven hoe de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto voor korte afstanden als individueel vervoer, wordt bepaald. 5.3.10 Vervoersbehoefte kinderen Een jong kind met een beperking kan bij het lokaal/ regionaal verplaatsen vaak op dezelfde manier vervoerd worden als een leeftijdgenoot zonder beperking. Vaak met een voorziening die als algemeen gebruikelijk wordt gezien. Denk aan een buikdrager, Maxi-Cosi, kinderwagen, buggy of een fietszitje/autostoeltje. Bovendien zijn kinderen in hun verplaatsings- en vervoersbehoefte nog grotendeels afhankelijk van hun ouders. Toch kan ook een kind (onder de twaalfjaar) als gevolg van een beperking belemmeringen ondervinden in het meedoen (participeren) en dus een vervoersbehoefte hebben waarvoor een maatwerkvoorziening Wmo Vervoer kan worden toegekend. Denk aan het meedoen in het spel buiten met andere kinderen of het fietsen (al dan niet onder begeleiding van een volwassene) naar opa of oma in de wijk. Ook hier geldt dat een maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ pas wordt toegekend, na het toepassen van het afwegingskader wanneer andere opties onvoldoende uitkomst bieden. Wanneer een vervoersvoorziening tot doel heeft de functie over te nemen (bijvoorbeeld het lopen) in plaats van maatschappelijk te kunnen participeren, kan aanspraak worden gemaakt op ondersteuning vanuit de Zvw in plaats van de Wmo.

Rechtspraak bij dit artikel