Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat deze hulpvragen zo efficiënt mogelijk worden behandeld. Daarom zijn twee procedures na de melding:
de hulpvraagprocedure (paragraaf 2.4) en
de aanvraagprocedure (paragraaf 2.5).
Voor het afhandelen van hulpvragen is nader onderzoek nodig. In de aanvraagprocedure vindt in hoofdzaak alleen een beperkte beoordeling plaats.
Soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route buiten de gemeente om. Die wordt aan het einde van dit hoofdstuk (paragraaf 2.6) genoemd.
Signalen en hulpvragen van andere personen over inwoners die hulp nodig hebben, kunnen bij de gemeente gemeld worden. Indien het signaal afkomstig is van een dichtbij staand familielid of een professional, wordt de procedure van de hulpvraag gevolgd. Indien het signaal van een andere betrokken persoon komt, wordt door de gemeente aan de hand van de omstandigheden gehandeld.