Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6.5

Vervoersvoorziening

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp gemeente Albrandswaard 2022

1.. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. 2.. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3.. Het toekennen van een vervoersvoorziening geschiedt alleen aan de jeugdige wanneer aantoonbaar is gemaakt dat er een noodzaak bestaat tot het inzetten van deze voorziening en dat bij gebrek aan deze voorziening de toegang tot jeugdhulp wordt onthouden. De noodzaak van een vervoersvoorziening wordt aannemelijk gemaakt indien: sprake is van een vervoersprobleem; en aantoonbaar is gebleken dat op eigen kracht of met hulp van de ouder(s) of andere personen uit de naaste omgeving geen oplossing voor het vervoersprobleem kan worden gevonden; en geen oplossing gevonden kan worden voor het vervoersprobleem door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening. 4.. Daarnaast dient er sprake te zijn van een situatie waarin: sprake is van een medische noodzaak, omdat de jeugdige indien gebruik gemaakt van het openbaar vervoer of eigen vervoer, een beperking heeft met lopen, instappen of staan of indien er sprake is van desoriëntatie; of sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid, omdat: de leeftijd van de jeugdige het niet toe laat zelfstandig te reizen met openbaar vervoer, nadat is aangetoond dat de ouder(s) of andere personen in de naaste omgeving niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor begeleiding; of sprake is van ernstige gedragsproblemen welke reizen in het openbaar vervoer of eigen vervoer onmogelijk maken; of andere redenen van niet-medische aard, die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het openbaar vervoer of eigen vervoer onmogelijk maken. 5. Door een deskundige die de beperking en/of de beperkende omstandigheden zoals bedoeld in lid 4 van deze regeling vaststelt. 5.. De vaststelling van de noodzaak van een vervoersvoorziening, zoals gesteld in artikel 3 en 4 van dit artikel, wordt uitgevoerd door het college of de Gecertificeerde Instelling in het kader van reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel. 6.. Bij de toepassing van lid 3 en lid 4 wint het college advies in bij een deskundige. 7.. De adressen en tijden, die door de jeugdige en/of zijn ouder(s) worden aangegeven tijdens het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.4 van de verordening ten behoeve van het vervoer worden gebruikt voor de planning van het vervoer. Incidentele wijzigingen van deze adressen en tijden zijn in principe niet mogelijk, onder incidentele wijzigingen worden verstaan: eenmalig vervoer van of naar een andere locatie of eenmalig andere vervoerstijden; in deze gevallen zorgt de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf voor een andere oplossing. 8.. De duur van de vervoersvoorziening is gelijk aan de duur die in de beschikking is vermeld of korter indien de betreffende individuele voorziening eerder eindigt. 9.. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel