Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Artikel 6

Onderdeel van Beleidsregels windenergie

Bij de beoordeling van initiatieven voor de plaatsing van windturbines wordt onderscheid gemaakt tussen: grondgebonden windturbines, uitgerust met rotorbladen; overige grondgebonden windturbines; gebouwgebonden windturbines. Voor de onder a en b bedoelde windturbines geldt een maximale tiphoogte van 25 meter. In afwijking daarvan kan het college van burgemeester en wethouders toestemming verlenen voor windturbines met een tiphoogte van maximaal 35 meter, als de bouw ervan vanuit een landschappelijk en milieuhygiënisch oogpunt acceptabel is. Voor de plaatsing van de onder a bedoelde windturbines worden mogelijkheden gezien op bedrijfsterreinen en -in aansluiting op woningen en bedrijfsgebouwen- in het landelijk gebied, met dien verstande dat de aanvaardbaarheid van de plaatsing van een kleine windturbine in gebieden met een zeer hoge kwaliteit (volgens de Waarderingskaart buitengebied Enschede, bijlage I), van geval tot geval wordt beoordeeld. Voor de onder b bedoelde turbines geldt hetzelfde. Dit type windturbine kan echter ook in de openbare ruimte worden toegestaan, als de plaatsing van de turbine voor de betreffende locatie toegevoegde waarde heeft en andere belangen niet onevenredig worden benadeeld. Gebouwgebonden windturbines worden in beginsel op alle gebouwen toegestaan.

Rechtspraak bij dit artikel