Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1:

Artikel 2

Vrijlating van giften

Onderdeel van Beleidsregels vrijlating giften

1.. Giften zowel in de vorm van geld als in natura worden tot aan het bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar niet tot de middelen gerekend. 2.. De vrijlating van giften als bedoeld in het eerste lid geldt voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden/samenwonenden. 3.. Het bedrag meer dan € 1.200,- wordt gezien als middel in de maand waarin de gift is ontvangen. 4.. Als het bedrag boven de € 1.200,- meer is dan het maandbedrag aan uitkering, wordt het resterende bedrag tot het vermogen gerekend. 5.. De giften in de vorm van witgoed worden vrijgelaten. 6.. Indien er niet het gehele kalenderjaar recht is op een uitkering, wordt het bedrag uit het eerste lid naar rato berekend over de maanden waarover in het kalenderjaar de uitkering wordt verstrekt. 7.. Van een gift in natura wordt de tegenwaarde in het economisch verkeer in aanmerking genomen. De waarde wordt bepaald aan de hand van de NIBUD – lijst. 8.. Het bedrag van de maximale vrijlating uit het eerste lid geldt per kalenderjaar. Het is niet mogelijk om een “ongebruikt” deel van de vrijlating mee te nemen naar het volgende kalenderjaar. 9.. Giften worden altijd door belanghebbende zelf gemeld bij het college.

Rechtspraak bij dit artikel