Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 4

Algemene voorwaarden premantelzorgwoning

Onderdeel van Beleidsregels premantelzorgwoningen gemeente Westerveld

Het college kan op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 9 of onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor met een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan en toestaan dat een tijdelijke premantelzorgwoning wordt gerealiseerd, met inachtneming van het volgende: de zorgontvanger heeft: minimaal de AOW-leeftijd bereikt op het moment van de aanvraag een aandoening en/of ziekte, waardoor aannemelijk is dat binnen maximaal 10 jaar een mantelzorgbehoefte ontstaat. er dient sprake te zijn van een sociale relatie (bijvoorbeeld familieband) tussen zorgverlener en zorgontvanger, die maakt dat voor elkaar gezorgd wordt. er dient een schriftelijke verklaring van de zorgverlener en zorgontvanger overgelegd te worden. Hieruit dient te blijken dat het gaat om het verlenen van premantelzorg op grond van leeftijd of dat sprake is van een aandoening en/of ziekte die binnen (maximaal) 10 jaar tot mantelzorgbehoefte kan leiden en dat mantelzorg zal worden verleend zodra mantelzorg voor de zorgontvanger noodzakelijk is geworden. In voorkomende gevallen, indien dit naar - gemotiveerd - oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht voor het kunnen vaststellen van premantelzorg, kan een aanvullende medische verklaring worden verlangd inhoudende een gemotiveerde indicatiestelling door een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur waaruit blijkt dat het gaat om het verlenen van premantelzorg en dat sprake is van een aandoening en/of ziekte die binnen (maximaal) 10 jaar tot mantelzorgbehoefte kan leiden. De indicatie hoeft geen verklaring te zijn dat de mantelzorgbehoefte daadwerkelijk zal intreden; De premantelzorgwoning kan gerealiseerd worden in bestaande bebouwing (bijbehorend bouwwerk) of binnen de bebouwingsmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan dan wel de bouwmogelijkheden die in het Besluit Omgevingsrecht (Bor) zijn opgenomen; De (pre-)mantelzorgwoning is levensloopbestendig. Dit houdt in dat de woning is afgestemd op de mogelijke toekomstige zorgbehoefte (zoals rolstoeltoegankelijkheid). Per bouwvlak is ten hoogste één (pre-)mantelzorgwoning in het achtererfgebied toegestaan; Er is sprake van één kadastraal eigendom; Er is geen premantelzorgwoning toegestaan bij een recreatiewoning; Een tijdelijke premantelzorgwoning geeft in geen geval het planologische recht op een extra permanente woning; De afstand tussen de premantelzorgwoning en de dichtstbijzijnde gevel van de bestaande woning of bedrijfswoning (het hoofdgebouw) bedraagt maximaal 30 meter; De belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad; De mantelzorgontvanger en/of -verlener dient middels een schriftelijke verklaring aan te tonen dat bewoners van aangrenzende percelen geen bezwaar hebben tegen het plaatsen van de (pre-) mantelzorgwoning; Het toevoegen van de premantelzorgwoning mag niet leiden tot een onevenredige verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse en van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzend percelen; Het toevoegen van de (pre-)mantelzorgwoning mag geen strijdigheid opleveren met beschermd dorpsgezicht en/of andere cultuurhistorische waarden; Er dienen voldoende parkeerplaatsen aanwezig te zijn (en te blijven); De tijdelijke omgevingsvergunning voor een (pre-)mantelzorgwoning is persoonsgebonden, dat wil zeggen dat voor iedere wijziging van zorgverlener(s) of zorgontvanger(s) een nieuwe omgevingsvergunning moet worden aangevraagd bij het college; De aanvrager of diens rechtsopvolger dient de in zijn geheel of in delen verplaatsbare premantelzorgwoning of – indien deze is gerealiseerd in een bijbehorend bouwwerk – de gerealiseerde voorzieningen (zoals keuken, badkamer en toilet) te verwijderen: Na afloop van de termijn waarvoor deze is verleend, tenzij de woning op dat moment voldoet aan de voorwaarden voor een vergunningsvrije mantelzorgwoning; Indien de huisvesting in verband met (pre-)mantelzorg is beëindigd; Indien de zorgverlener en/of zorgontvanger niet meer ter plaatse woonachtig is; De aanvrager of diens rechtsopvolger meldt schriftelijk aan het college wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in lid 18, sub a, b en c.

Rechtspraak bij dit artikel