Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.6

Weigeringsgronden

Onderdeel van Standplaatsenbeleid gemeente Lopik

De APV kent zeven gronden om een standplaatsvergunning te weigeren. De weigeringsgronden zijn limitatief opgesomd. Het voornaamste doel is het waarborgen van de openbare belangen. Artikel 1:8 APV vermeldt de volgende algemene weigeringsgronden: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Op basis van artikel 5:18 van de APV is het verboden om zonder vergunning een standplaats in te nemen. De letterlijke tekst van dit artikel staat, evenals de andere van toepassing zijnde APV-artikelen, in bijlage 1. Artikel 5:18 vermeldt de volgende weigeringsgronden: vanwege strijd met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; eisen van redelijke welstand; gevaar van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument. Ad a: de openbare orde Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een verkeersaantrekkend karakter. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen van voetgangers en ontoelaatbaar rijwielverkeer in voetgangersgebieden. Ook foutief geparkeerde auto’s (bijvoorbeeld; dubbel geparkeerd, op de stoep of op groen) kunnen voor overlast en verkeersonveilige situaties in de omgeving zorgen. In het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid is het om deze reden(en) niet mogelijk overal een standplaats in te nemen. Een standplaats kan alleen worden ingenomen op vastgestelde locaties, zie paragraaf 2.2 voor het standplaatsenoverzicht. Deze weigeringsgrond sluit nauw aan bij de weigeringsgrond van de openbare veiligheid. Beide weigeringsgronden worden dikwijls in combinatie gehanteerd. Ad b: de openbare veiligheid Bij het hanteren van de weigeringsgrond ‘openbare veiligheid’ kan een verdeling gerealiseerd worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen standplaatsen wordt tegengegaan. Een grote concentratie van ingenomen standplaatsen doet de kans op feitelijke marktvorming ontstaan. Deze weigeringsgrond kan ook gebruikt worden wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie bestaat. Om een grote concentratie van standplaatsen tegen te gaan en “echte” marktvorming te voorkomen kan de spreiding van standplaatsen plaatsvinden naar locatie en/of tijd. Uit jurisprudentie komt naar voren dat het voorkomen van marktvorming kan worden aangemerkt als een aspect van de openbare orde. Of er sprake is van marktvorming is afhankelijk van de plaatselijke situatie. Er bestaat geen vaste definitie van het begrip ‘marktvorming’ omdat dit afhankelijk is van de locatie en de uitstraling van een verzameling standplaatsen. De literatuur biedt enkele handvatten/criteria om te bepalen of er sprake is van verkapte marktvorming. Het aantal standplaatsen dat wordt ingenomen, in combinatie met een visuele samenhang is van belang. Voor wat betreft de uitstraling wordt er vanuit gegaan dat er geen visuele samenhang zal optreden, omdat iedere standplaatshouder zijn/ haar eigen mobiele verkooppunt meebrengt. Ad c en d: de volksgezondheid en milieu In de standplaatsvergunning zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot het schoonhouden van de standplaats en het voorkomen van ‘overlast’. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Deze weigeringsgrond is vooral van toepassing op standplaatshouders die snacks/etenswaren verkopen. Ad e: vanwege strijd met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit Bij de aanvraag wordt beoordeeld of het ter plaatse geldende bestemmingsplan dan wel beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit zich tegen het innemen van een standplaats verzet. Ad f: eisen redelijke welstand Wanneer een standplaats, door het gebruikte middel of de standplaats zelf, het uiterlijk aanzien van de omgeving of het straatbeeld zodanig verstoort dat daardoor het karakter van de omgeving wordt aangetast, kan de gemeente een standplaats weigeren. Voor karakteristieke locaties kan bepaald worden dat geen (of onder bepaalde voorwaarden) standplaatsen mogen worden ingenomen ter bescherming van het aanzien. Ad g: gevaar redelijk verzorgingsniveau voor de consument Hierbij is het verzorgingsniveau voor de consument het bepalende element om tot het niet verstrekken van een standplaatsvergunning over te gaan. In beginsel is de concurrentiepositie van een gevestigde winkelier echter geen reden om een standplaatsvergunning te weigeren. Volgens de ‘oude’ Vestigingswet Bedrijven konden nog eisen worden gesteld aan de vestiging van bedrijven, ondernemingen en ook aan standplaatshouders. Met het intrekken van deze Vestigingswet per 2 november 1995 en de hedendaagse vrijheid van het economische verkeer binnen de Europese Unie zijn deze eisen komen te vervallen en mag de economische behoefte aan de verkoopwaren van de standplaats geen rol meer spelen in de beoordeling van een aanvraag of een standplaatsvergunning verleend wordt. In de praktijk heeft zich een aantal problemen voorgedaan met standplaatsen. In een aantal gevallen heeft dat zelfs geleid tot gerechtelijke procedures. Knelpunt blijft het niet economisch mogen ordenen door de gemeente, terwijl dat door de partijen "in het veld" juist wel gewenst is. Uit de jurisprudentie van de Raad van State blijkt dat argumenten van economische aard en argumenten gebaseerd op het behoefte element niet door de gemeente gehanteerd mogen worden. De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State maakt hierop slechts twee uitzonderingen: Wanneer het voorzieningenniveau voor de consumenten in een deel van de gemeente in gevaar komt, mag de gemeente een standplaatsvergunning weigeren. Er moet hierbij bijvoorbeeld gedacht worden aan een nieuw opgezet winkelcentrum. De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State heeft aanvaard dat winkeliers in zo'n nieuw winkelcentrum gedurende een bepaalde periode, waarin de aanloopkosten nog hoog zijn, gevrijwaard dienden te zijn van concurrentie. Dit geschiedt dan in het belang van het opzetten van een voldoende voorzieningenniveau voor de consument. (Vz. ARRS, 17 februari 1986, AB 1987, 3). Er kan een situatie voordoen dat binnen het verzorgingsgebied in een bepaalde branche nog slechts één winkel is gevestigd die door de concurrentie van een standplaatshouder ten onder dreigt te gaan. Hierdoor kan het verzorgingsniveau ter plaatse in het gedrang komen. De winkelier moet aan de hand van zijn boekhouding aantonen dat de levensvatbaarheid van zijn winkel in gevaar komt. Op de dagen dat de standplaatshouder zijn goederen niet aanbiedt, is er in dat geval geen aanbod van deze soort goederen meer binnen het verzorgingsgebied. In een dergelijk geval kan een vergunning tot het innemen van standplaats worden geweigerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel