**1..** De subsidieontvanger dient uiterlijk binnen 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in.
**2..** De aanvraag bevat:
Een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten per locatie zijn verricht;
Voor activiteiten VE-peuteropvangplaatsen voor doelgroeppeuters, zoals genoemd in artikel 3 lid 2 bevat de aanvraag tot vaststelling tevens per locatie:
de resultaten van VE op groeps- en individueel niveau op basis van het kind- of ontwikkelvolgsysteem;
de wachtlijst(en) en signalen van oneigenlijk gebruik;
de mate van ouderbetrokkenheid en welke verbeteracties vanuit het ouderbeleid zullen worden ingezet;
hoe de kwaliteit van VE is geëvalueerd, hoe de kwaliteit wordt geborgd en welke verbeteracties zullen worden ingezet. Het betreft minimaal een evaluatie van:
de zorg en begeleiding
gebruik van het programma
gebruik van het kindvolgsysteem
de ouderparticipatie
de leidstervaardigheden
de wijze waarop de samenwerking en afstemming met de basisscho(o)l(en) is vormgegeven. Het betreft minimaal de beschrijving van:
het pedagogisch klimaat
het educatief handelen
scholing
de warme en koude overdracht
de doorlopende leerlijn
het zorgbeleid
**3..** De aanvraag bevat een financieel verslag van de gesubsidieerde activiteiten, waaruit de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten blijken. In het verslag is tevens opgenomen:
het aantal peuteropvangplaatsen bezet door individuele peuters van niet-toeslagouders en de daarvoor ontvangen ouderbijdragen in het subsidiejaar;
het gehanteerde uurtarief;
**4..** Voor activiteiten VE-peuteropvangplaatsen voor doelgroeppeuters, zoals genoemd in artikel 3 lid 2 dient tevens te worden opgenomen:
het aantal VE-peuteropvangplaatsen bezet door individuele doelgroeppeuters, uitgesplitst naar niet-toeslagouders en toeslagouders;
de ouderbijdrage VE, indien er over de maximaal 320 uren, zoals genoemd in artikel 5, lid 3b een ouderbijdrage is gevraagd;
**5..** Voor VE-gerelateerde scholingskosten, zoals genoemd in artikel 3 lid 3, geldt:
een overzicht waaruit blijkt aan welke scholing, door welke locaties en door hoeveel medewerkers is deelgenomen;
**6..** Voor de inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie, zoals genoemd in artikel 3 lid 5, geldt:
het werkelijk aantal doelgroepkinderen in VE-groepen;
een overzicht waaruit blijkt dat het wettelijk vereiste aantal uren is ingezet door de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie;
een beschrijving van hoe de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker heeft geleid tot een verhoging van de kwaliteit van de pedagogisch medewerkers en van het pedagogisch beleid, en daarmee van de voorschoolse educatie.