Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.3

Belangenafweging

Onderdeel van Archeologiebeleid gemeente Lopik

Het is aan de gemeente, in haar rol van bevoegd gezag, om afstemming en overeenstemming te bereiken tussen de onderscheiden behoeften van de archeologie en de ruimtelijke ordening. De zorg voor het gemeentelijk bodemarchief is daarmee een beleidsveld waarin, net als op andere beleidsterreinen, keuzes gemaakt moeten worden. Voor Lopik is archeologie daarmee onderdeel van een integrale afweging waarin aspecten als kosten en maatschappelijk draagvlak eveneens meewegen. Op basis van bovengenoemde kadernotitie heeft de gemeenteraad van Lopik op 7 juli 2009 besloten om bij de inrichting van het archeologiebeleid te kiezen voor een scenario waarbij zij zich voorlopig concentreert op datgene wat er van de gemeente verwacht wordt, dat wil zeggen de wettelijk eis tot integratie van archeologie in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningsprocessen, inclusief een heldere uitvoering van de rol van bevoegd gezag. Dit besluit vormt het uitgangspunt voor de opstelling van onderhavige beleidsnota.3Omdat de gemeenten Oudewater en Montfoort dezelfde keuze voor hun ambitieniveau hebben gemaakt zijn de beleidsnota’s van Lopik, Montfoort en Oudewater nagenoeg gelijk (Montfoort: zie Alkemade et al. 2010a; Oudewater: zie Alkemade et al. 2010 b). Alleen in de ruimtelijke uitwerking van het beleid (de maatregelenkaart) verschillen de vier gemeenten (dus inclusief Woerden) enigszins. Dit betreft vooral de gemeente Woerden, die immers al jaren een ambitieus archeologiebeleid voert (Hazenberg 2007; Alkemade 2010c). Vanuit het oogpunt van goed bestuur, maar ook vanuit gemeentelijk risicomanagement is het van belang dat de gemeente in haar rol van bevoegd gezag kan motiveren en inzichtelijk maken in welke gebieden archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is en waarom op andere plaatsen niet.4In dat kader wordt ook gewezen op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb), waarmee gemeenten door rijk, provincie en private initiatiefnemers kunnen worden aangesproken op het leveren van betrouwbare inhoudelijke en beleidsmatige informatie over beperkingen die verbonden zijn aan een kadastraal perceel. Mede gezien de recente ‘juridisering’ van de archeologie en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het noodzakelijk dat de gemeente haar besluiten inzake de archeologische monumentenzorg (selectiebesluiten, vergunningaanvragen) baseert op een vastgesteld gemeentelijk archeologiebeleid dat: gebaseerd is op inzicht in de aard en staat van de bekende en te verwachten archeologische waarden;5Op grond van artikel 3.2 van de Awb is het bestuursorgaan verplicht om bij de voorbereiding van een besluit (zoals een bestemmingsplan) de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. verantwoord is vanuit het perspectief van zorg voor het bodemarchief (uitgangspunt Verdrag van Malta, Monumentenwet, Wro en Bro); juridisch houdbaar is voor wat betreft de bestemming van gronden en daaraan te koppelen voorwaarden (bouw- en aanlegvergunningen)6 Vgl. de lopende discussie inzake de planschadegevoeligheid (art. 6.1. Wro) bij opname van archeologie in bestemmingsplannen. Hierover bestaat nog geen jurisprudentie. Vestigia wijst in dit kader op het belang van de ruimtelijke onderbouwing van het gemeentelijk beleid (de archeologische beleidskaart): de toelichting (deel B) is hiertoe opgezet dat deze als zodanig fungeert. De gemeente houdt daarmee rekening met de eis van transparantie en volledigheid bij de belangenafweging (onder verwijzing naar artikel 2 Awb). transparant is voor alle gebruikers en belanghebbenden. Deze aspecten waren leidend bij de ontwikkeling van het gemeentelijk archeologiebeleid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel