Archis vermeldt voor Lopik 25 archeologische terreinen/vindplaatsen (actualiteit juni 2009). Daarvan dateert een deel uit de prehistorie (Steentijd / Bronstijd / IJzertijd), één uit de Romeinse tijd en het grootste deel uit de Late Middeleeuwen (1050-1500 na Chr.) en Nieuwe Tijd (1500-heden). Het lage aantal waarnemingen of vindplaatsen uit de periode daarvoor kan voor een deel te wijten zijn aan de diepe ligging van de oudere riviersystemen in de ondergrond, waardoor ze bij normaal bodemgebruik niet aan het licht komen. Woonplaatsen die al tijdens de prehistorie werden bedekt met rivierklei (overstroming) of langzaam verdwenen onder zich uitbreidend veen (verdrinking, moerasvorming) zijn waarschijnlijk zeer goed geconserveerd. Archeologische resten kunnen echter ook zijn verspoeld en ‘opgeruimd’ door de zich verplaatsende rivierlopen. In dat geval vinden we losse vondsten zonder nederzettingscontext, die daardoor weinig archeologisch relevante gegevens opleveren.
Sporen uit het Paleolithicum (Oude Steentijd) zijn uit Lopik niet bekend. Het is echter niet onmogelijk dat deze zich wel diep in de pleistocene ondergrond bevinden. Bij zandwinningactiviteiten in Woerden en Nieuwegein werden vuurstenen werktuigen en afslagen (restanten van vuursteenbewerking) opgezogen op een diepte van meer dan 20 meter.47Ooyevaar 1990, 20-2; m.m. H. van den Ende, Woerden. De zeer extensieve en fragiele bewoningssporen die daarbij horen (restanten van tijdelijke jachtkampen incl. haardplaatsen) gaan bij zo’n ingreep uiteraard verloren.
De oudste vondsten binnen de gemeente Lopik dateren uit het Mesolithicum (Midden-Steentijd; 8800-4900 voor Chr.). Het betreft een kampement van jagerverzamelaars op een fossiel rivierduin (donk) in Zevender (monument 11570). In het Mesolithicum zette de klimaatsverandering na het einde van de laatste IJstijd door en ontstond een meer gevarieerde flora en fauna. De mens koos de hoger gelegen delen van het landschap als locatie voor tijdelijke kampen. Met het smelten van de ijskappen steeg de zeespiegel (een proces dat zich tot op heden doorzet) en werd het gebied langzaam aan natter.
In principe bood het landschap vanaf de latere prehistorie goede mogelijkheden voor gebruik door de mens. Tijdelijke of permanente bewoning was mogelijk op de hogere oeverwallen langs actieve geulen en op fossiele beddingen van niet meer actieve riviersystemen. De overgangsgebieden van hoog/droog naar laag/nat waren uitermate rijk aan biodiversiteit en dus aantrekkelijk voor jagen, verzamelen en vissen (zie Mesolithische vindplaats Zevender, monument 11570). Vanaf het Neolithicum waren de zandige ruggen geschikt voor de prehistorische vorm van landbouw en werd het vee waarschijnlijk in de lagere, nattere terreinen geweid. Aan deze zeer oude vorm van gemengd bedrijf kwam in de Lopikerwaard pas in de loop van de 19de eeuw definitief een einde: nog tot die tijd werd er door de boeren (kleinschalig en vooral voor eigen gebruik) geakkerd op de stroomruggen.
Door de zich steeds verleggende riviersystemen veranderde het landschap – en daarmee de bewoningsmogelijkheden – echter voortdurend, waardoor in de ondergrond van de gemeente een stapeling van landschappen is ontstaan. De oudste sporen van menselijke bewoning bevinden zich in de oudste en meestal diepst gelegen fossiele riviersystemen, de jongere sporen zijn minder diep in de ondergrond te vinden. Daar waar oude riviersystemen zich vlak onder maaiveld bevinden, kunnen archeologische resten zich zelfs in of net onder de bouwvoor bevinden. Een deel daarvan zal in de loop der tijd ongezien zijn verdwenen door agrarische werkzaamheden, ruilverkaveling, e.d.48Op basis van het onderzoek van Groenewoudt (1994) wordt geschat dat sinds de Tweede Wereldoorlog ca. 35% van het Nederlandse bodemarchief op deze manier is verdwenen. Pas vanaf ca. 1000 na Christus (de Middeleeuwen) was de waterbeheersing zodanig ontwikkeld dat de menselijke greep op het landschap de overhand kreeg. De openlegging van het landschap tijdens de laatmiddeleeuwse en nieuwetijdse ontginningen heeft geleid tot het karakteristieke landschap en ruimtegebruik van de Lopikerwaard dat – ondanks schaalvergroting en uitbreiding – nog steeds herkenbaar is .
In het Neolithicum (Nieuwe Steentijd) voltrok zich de overgang van het rondreizende bestaan van jagerverzamelaar naar landbouw en ontstonden plaatsvaste nederzettingen. Deze bestonden uit een of meer langgerekte huizen waar mens en vee onder hetzelfde dak leefden. In Benschop is in een sloot ten westen van de Reinaldaweg een vuurstenen bijl uit het Neolithicum aangetroffen.49Ooyevaar 1990, 22. Dit betreft dus een zogenaamde losse vondst.
Omstreeks 2000 vóór Chr. begint de Bronstijd, die zijn naam dankt aan de geleidelijke overgang van vuursteen naar brons als basismateriaal. Kenmerkend voor deze periode is de ontwikkeling van complexere vormen van sociale structuur, woonvormen en grafgebruiken. Ten noordoosten van de bewoningskern Lopik bevindt zich een waardevol cluster van nederzettingsterreinen (mogelijk met bijbehorende akkers) uit de late prehistorie (Bronstijd-IJzertijd), die destijds op de oeverwal langs een restgeul van de Lopiker stroomgordel lagen (monumenten 11910 t/m 11914; Eerste Wetering en Achterwetering). De resten zijn goed geconserveerd gebleven doordat de nederzetting door overstroming met een laag klei werd bedekt. Een tweede belangrijke vindplaats uit de Midden-Bronstijd (ca. 1800-1100 voor Chr.) bevindt zich ten westen van Benschop (monument 2957). De sporen bevinden zich tussen 35 en 100 cm onder maaiveld, op de oeverwal van een restgeul van de Bloklandse stroomgordel.
Op plaatsen waar de afwatering van de geulen stagneerde, vernatte het gebied zodanig dat zich ontoegankelijke veenmoerassen vormden. Deze venen werden pas vele eeuwen later, tijdens de ontginningen, door de mens ontwaterd en in gebruik genomen. De plaatselijke afname van mogelijkheden voor bewoning is mogelijk een reden voor het gebrek aan sporen en vondsten uit de Vroege en Midden- IJzertijd. Voor het einde van de IJzertijd is de informatie iets ruimer: een enigszins verstoorde lateijzertijdvindplaats bevindt zich aan de Achterwetering (monument 11914), in de nabijheid van het eerdergenoemde bronstijd-cluster. Mogelijk is het gebied tussen de Bronstijd en IJzertijd echter min of meer continu in gebruik geweest. De ligging van de reeks archeologische vindplaatsen op de stroomrug duidt op een intacte archeologische en landschappelijke context.
Uit polder de Batuwe werd aan het maaiveld aardewerk uit de Late IJzertijd/Romeinse tijd (ca. 200 voor Chr.- 200 na Chr.) aangetroffen (waarneming 26507, 36258).50Van der Graaf/Anderson/Datema, 1990; Ooyevaar11990, 27. De vindplaats ligt op de Lopiker stroomrug. Bij booronderzoek werd op ca. 40 cm onder maaiveld een ‘oude woongrond’ uit de Romeinse tijd geconstateerd (monument 2948). Ondanks de aanwezigheid van de Romeinen in het castellum Laurium in het nabije Woerden is over de Romeinse tijd in Lopik nauwelijks iets bekend.
In de loop van de Romeinse tijd namen de Hollandsche IJssel en de Lek de waterafvoerende functie van de Vecht, Oude en Kromme Rijn over, waardoor de omgeving van Lopik steeds vaker overstromingen plaatsvonden. In combinatie met de onzekerheden van het desintegrerende Romeinse Rijk is het gebied in de Laat-Romeinse tijd en de vroege Middeleeuwen waarschijnlijk ontvolkt – een tendens die in het gehele noordwestelijke grensgebied van het Romeinse Rijk optreedt. Informatie uit de Vroege Middeleeuwen (Merovingische en Karolingische periode; ca. 500-1000 na Chr.) is uit Lopik niet bekend.
Uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zijn daarentegen de meeste vindplaatsen, vondsten en waarnemingen binnen de gemeente afkomstig. Het betreft een reeks woonterpen en mogelijke woonterpen langs het bewoningslint Polsbroek-Benschop, het terrein van kasteel Jaarsveld (monument 873), Huis te Vliet (monument 12067), restanten van hofstede te Vliet (monument 12066), de historische kernen van de dorpen binnen de gemeente, de voorloper van de kerk van Benschop, restanten van oude bebouwing e.d.
Veel waarnemingen en vondstmeldingen betreffen aardewerk uit deze periode. Het archeologische beeld is veelzijdig maar tegelijk zo diffuus dat de archeologische bijdrage aan de verdieping van kennis over de middeleeuwse en nieuwetijdse geschiedenis van de gemeente en regio nog beperkt is. Een samenhangend beeld van belangrijke archeologische en historische thema’s zoals de ontginningsgeschiedenis, de ontwikkeling van lokale en regionale machtsstructuren en premoderne economie ontbreekt. Hier ligt een ‘witte plek’ in de archeologische kennis en een uitdaging voor de toekomst, mede gezien de constatering in de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie waarin in zijn algemeenheid wordt gewezen op het gebrek aan inzicht in de jonge archeologie van het landelijk gebied en de kleinere historische (stads- en dorps)kernen.
Hoofdstuk 8
Artikel 8.4
Samenvatting archeologische kennis (bekende vindplaatsen)
Onderdeel van Archeologiebeleid gemeente Lopik