In het geldend ruimtelijk beleid is voorzien in enige ontwikkelruimte voor niet agrarische bedrijven. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is namelijk rekening gehouden met een beperkte uitbreiding van het bebouwd bedrijfsoppervlak. Met betrekking tot de bedrijfsbebouwing zal toekomstig beleid conserverend van aard zijn en in eerste instantie de bestaande situatie vastleggen. Als gevolg van technische ontwikkeling, schaalvergroting, kostenbesparende maatregelen, maar ook investeringen in duurzaamheid zal er ook in de toekomst sprake zijn van een blijvende vraag naar ontwikkelruimte voor niet-agrarische bedrijven. Dit wordt versterkt door het economisch klimaat dat momenteel weer in positieve zin aan het veranderen is. Gelet op deze ontwikkelingen verwachten wij dat er opnieuw vraag ontstaat naar nieuwe uitbreidingsmogelijkheden. Wanneer aan nader te bepalen voorwaarden voldaan kan worden moet een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing binnen het bestemmingsvlak volgens ons mogelijk zijn. Deze voorwaarden zullen betrekking hebben op een goede landschappelijke inpassing, de verkeersaantrekkende werking, een goede ontsluiting en de ruimtelijke uitstraling van de bedrijfsactiviteit. Daarbij speelt het voorkomen van mogelijke belemmeringen en hinder voor omliggende percelen een belangrijke rol. Uitbreiding van bedrijfsbebouwing mag niet leiden tot een verhoging van de bedrijfsactiviteit volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten. In het provinciaal ruimtelijk beleid wordt een uitbreiding van 20% van het bebouwd oppervlak van bestaande niet-agrarische bedrijven gezien als toereikend. Door het toenemende aanbod van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwachten wij in het algemeen een toename van het aantal niet-agrarische bedrijven. Dit zorgt voor een toenemende concurrentie met zowel bestaande als nieuwe bedrijven. Initiatiefnemers van nieuwe bedrijfsactiviteiten in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing zullen zich daarom moeten realiseren dat zij zich nog nadrukkelijker moeten onderscheiden om op te vallen binnen een toenemend aanbod.
Uitbreiding van bedrijfsbebouwing
Bij de nieuwvestiging van bedrijfsactiviteiten moeten initiatiefnemers en gemeente oog hebben voor de behoefte in de praktijk. De gemeente is mede verantwoordelijk voor het realiseren van een gezond vestigings- en ondernemersklimaat. Daar hoort een divers aanbod van bedrijfsactiviteiten bij. De vraag is dan ook of wij wel moeten blijven inzetten op het ongebreideld faciliteren van dezelfde kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Nieuwvestiging kan leiden tot verzadiging van de markt. Voor sommige bestaande niet-agrarische bedrijfsactiviteiten moeten wij ons afvragen of, rekening houdend met de toename van het aanbod vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing, uitbreiding daadwerkelijk toekomstbestendig is. Opslag en stalling is zo’n bedrijfsactiviteit. In de praktijk zien we dat veel van vrijkomende agrarische bebouwing een vervolgfunctie krijgt in de vorm van opslag en stalling. Het ligt niet voor de hand dat, gelet op het toekomstige aanbod aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing, op bestaande bedrijfspercelen met bijvoorbeeld een opslagfunctie fors wordt uitgebreid. Voor dit type en vergelijkbare bedrijfsactiviteiten willen wij verdere bouwmogelijkheden koppelen aan de sloop van vrijkomende agrarische bebouwing elders. Voor ons is het bespreekbaar om vrijkomende agrarische bebouwing op andere percelen te saneren zodat het bebouwd oppervlak op bedrijfspercelen met een opslagfunctie vergroot kan worden. Daarnaast zou in goed ontsloten gebieden gezocht kunnen worden naar ontwikkelruimte voor nieuwe hoogwaardige bedrijfsactiviteiten. Met een kleiner bebouwd oppervlak kan dan toch sprake zijn van een toekomstbestendige bedrijfsfunctie. Gemeente en initiatiefnemers moeten in gesprek blijven over nut en noodzaak van beoogde bedrijfsactiviteiten.
Ontwikkeling van de bedrijvigheid in het landelijk gebied is afhankelijk van een groot aantal factoren die wij niet in de hand hebben en waarop wij geen exacte sturing kunnen geven met ons ruimtelijk beleid. Flexibiliteit is nodig om in te kunnen spelen op deze dynamiek. Tot nu toe zijn niet-agrarische bedrijven altijd zeer specifiek bestemd. Hierdoor is het lastig om binnen de geldende regels de bedrijfsvoering aan te passen. Bijvoorbeeld wanneer het perceel van eigenaar verandert of een bestaande eigenaar omschakelt naar een nieuwe activiteit. Een globaler en flexibeler toetsingskader zou ons de mogelijkheid geven om efficiënter mee te kunnen bewegen met de economische werkelijkheid en ons helpen om nieuwe, passende, activiteiten op bestaande bedrijfspercelen mogelijk te maken.
Hierdoor kunnen we lange procedures voorkomen. Snelle omschakelijking is goed voor de werkgelegenheid, de sociaaleconomische vitaliteit van ons landelijk gebied en verbetert het vestigingsklimaat.
Niet-agrarische bedrijven in landelijk gebied
Ook niet-agrarische bedrijven zullen zich in toenemende mate in het landelijk gebied willen vestigen Gecombineerd met de toenemende leegstand van agrarische gebouwen levert dit een vraag op aan gemeenten om duidelijkheid te geven over de mogelijkheden voor bedrijvigheid in het landelijk gebied (W. Nieuwenhuizen et al, 2015). Een ruimtelijk beleid uitsluitend gericht op het verplaatsen van bedrijven naar het bedrijventerrein De Copen doet geen recht aan de werkelijke dynamiek en zou een te eenzijdig afwegingskader betekenen. Een dergelijk eenzijdige beleid past ons inziens niet binnen de doelen van de Omgevingswet om te komen tot een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving en het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte.
10.2.1. Bedrijfsverplaatsing
Op veel percelen met een bedrijfsbestemming is de aard van de activiteit veranderd. Bedrijven hebben hun bedrijfsvoering moeten aanpassen of zijn overgestapt op andere activiteiten om in hun bestaan te kunnen blijven voorzien. Ook zijn er een aantal bedrijven aan te wijzen die wel een behoorlijke groei hebben doorgemaakt en hierdoor op hun huidige bedrijfslocatie “klem” zijn komen te zitten. Op deze percelen in het landelijk gebied wordt de aanwezigheid van het bedrijf als een belemmering voor het leefklimaat gezien. De huidige vestigingslocaties van deze bedrijven worden door omwonenden als hinderlijk ervaren (verkeer, geluid, werktijden) en de bedrijven hebben onvoldoende ruimte voor de gewenste bedrijfsontwikkeling. Het woon- en leefklimaat staat hier vaak onder grote druk. Om het woon- en leefklimaat van onze bebouwingslinten te verbeteren wil de gemeente Lopik ook in de toekomst actief meewerken aan het verplaatsen van bestaande bedrijven binnen ons landelijk gebied. Het gaat dan in eerste instantie om het verplaatsen van bestaande niet-agrarische bedrijven naar andere percelen met een bedrijfsbestemming. Voorwaarde is dat er op zowel de vertrek- als op de vestigingslocatie sprake is van een goede ruimtelijke kwaliteit. Hoe extensiever de vertreklocatie wordt ingevuld (denk aan sloop bebouwing en het beëindigen van bedrijfsactiviteiten) hoe groter de meerwaarde van het plan. Bij bedrijfsverplaatsing is een goede ontsluiting een belangrijk uitgangspunt. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen realiseren zal de gemeente moeten inzetten op het extensiveren van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten in gebieden met een matige ontsluiting. Dat kan bereikt worden door in deze gebieden alleen nieuwe bedrijfsactiviteiten toe te staan uit een lagere milieucategorie dan de bestaande bedrijfsactiviteiten.
Verplaatsen of toevoegen?
Het verplaatsen van bestaande bedrijfsactiviteiten wordt niet gezien als toevoegen van nieuwe bedrijvigheid in het landelijk gebied. Door de verplaatsing van bedrijven neemt de omvang van de totale bedrijfsactiviteiten in ons landelijk gebied niet toe. Met behulp van bedrijfsverplaatsing kunnen wij de verbetering van het woon- en leefklimaat faciliteren en de bedrijvigheid in onze gemeente vasthouden. Het gaat hierbij in eerste instantie om de verplaatsing naar andere bedrijfspercelen. Wanneer er sprake is van een uitzonderlijke verbetering van het woon- en leefklimaat op de vertreklocatie is bedrijfsverplaatsing naar een ander perceel zonder bedrijfsfunctie ook bespreekbaar.
Nieuwvestiging van bedrijfspercelen wordt wenselijk geacht als vervolgfunctie ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf. Dit kan niet zonder een tegenprestatie in de vorm van de verbetering van ruimtelijke kwaliteit. In gangbaar ruimtelijk beleid, bijvoorbeeld van de provincie Utrecht, wordt deze kwaliteitsverbetering afgedwongen via de verplichte sloop van bebouwing. Bij de herbestemming van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing stellen wij ten aanzien van een “sloopeis” dat; er een duidelijke balans moet zijn tussen de belevingswaarde van voormalige agrarische percelen en de gebruikswaarde van de aldaar nog aanwezige bebouwing. Er moet sprake zijn van maatwerk in plaats van een algemeen geldende sloopverplichting. Bij bedrijfsactiviteiten met een grote ruimtelijke invloed (loonwerkbedrijf) dient de tegenprestatie groter te zijn dan bij bedrijfsactiviteiten met een beperkte ruimtelijke invloed (opslag). Om de belevingswaarde en gebruikswaarde met elkaar in evenwicht brengen moet een integrale afweging gemaakt worden rekening houdend met ta van maatregelen zoals het de sloop van bebouwing, het verwijderen van verharding, het realiseren van doorzichten en het uitsluiten van buitenopslag.
10.2.2. Buitenopslag
Buitenopslag heeft een grote invloed op de belevingswaarde van ons landelijk gebied. Bij bestaande bedrijfspercelen mag binnen het bouwperceel buitenopslag plaats vinden. In overige gevallen willen wij buitenopslag zoveel mogelijk uitsluiten om de uitstraling van het landelijk gebied te verbeteren. Dit is een continuering van het huidige beleid.
10.2.3. Detailhandel
Het landelijk gebied kent enkele detailhandelbedrijven. Het gaat hier voornamelijk om bedrijven die al langer in de gemeente Lopik zijn gevestigd. De verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte
van detailhandel zijn bepalend voor de ontwikkelruimte van deze bedrijven. In principe geldt ook voor detailhandel een reguliere uitbreiding van 20%. Nieuwvestiging van detailhandel, buiten de uitloopgebieden van de kernen of op bestaande bedrijfspercelen, lijkt op voorhand niet kansrijk.