Duurzaamheid, veiligheid, gezondheid, waterbeheersing en natuur vormen de fysieke leefomgeving en maken onderdeel uit van de herkomstwaarde van ons landelijk gebied. Deze elementen vormen gezamenlijk grotendeels de onderlegger van onze ruimtelijke structuur. Op het niveau van deze onderlegger worden de randvoorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen bepaalt. Om daadwerkelijk een goede fysieke leefomgeving te kunnen waarborgen en daarmee de herkomstwaarde van ons landelijk gebied te beschermen zal met betrekking tot de hiervoor genoemde elementen grotendeels ingezet moeten worden op beschermen. Zo zullen wij in sommige gevallen ontwikkelingen moeten uitsluiten om de veiligheid of een goede waterbeheersing te kunnen waarborgen. Ook de gemeente Lopik zal in de toekomst dus regelgeving moeten opnemen die voorkomen en uitsluiten. Dit allemaal om de kwaliteit van onze woon- en leefomgeving in stand te houden. Met betrekking tot deze belangen verwachten wij in de gemeente Lopik voornamelijk rekening te moeten houden met verbeteringsmaatregelen aan de Lekdijk, de bodemdaling in het veenweidegebied, de toenemende vraag naar ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie, de zorg voor Stiltegebieden, het woon- en leefklimaat rondom knooppunten (gezondheid) en de ontsluiting van het landelijk gebied.
12.2.1. Dijkversterking Lekdijk
De zuidzijde van de gemeente Lopik wordt volledig gevormd door de Lekdijk. Hoewel momenteel nog niet helemaal duidelijk is welke maatregelen nodig zijn om de veiligheid van de Lekdijk te kunnen garanderen, is het nemen van maatregelen onvermijdbaar. De Lekdijk beschermt een groot deel van Midden- en West-Nederland tegen overstroming. De afgelopen jaren is de Lekdijk tussen Amerongen en Schoonhoven onderzocht. Daarbij is de Lekdijk getoetst aan nieuwe veiligheidsnormen die sinds 2017 van kracht zijn. Op slechts enkele plekken voldoet de dijk aan deze normen, maar ruim vijftig kilometer, waaronder de Lekdijk in Lopik, voldoet niet. Hoewel de Lekdijk vaak wel hoog genoeg is, moet hij voornamelijk steviger en stabieler worden gemaakt. In 2050 moet de dijk aan de nieuwe normen voldoen.
Sterke Lekdijk (bron HDSR)
Omdat de aard en omvang van de beoogde maatregelen nog niet vast staan zal het lastig worden om bij de vaststelling van het bestemmingsplan met “verbrede reikwijdte” exact in te spelen op de mogelijke gevolgen. Het zal wel ons streven zijn om in de regelgeving voldoende flexibiliteit op te nemen om te voorzien in de noodzakelijke aanpassingen. Ons uitgangspunt is: Veiligheid voorop! Dat betekent dat er in de toekomst best wel eens besluiten genomen moeten worden waarbij het belang van de veiligheid van de Lekdijk zwaarder weegt dan andere belangen in de directe omgeving.
Andersom betekent de veiligheidsopgave voor de Lekdijk mogelijk een nieuwe ontwikkelingskans. Initiatieven die mede bijdragen aan het versterken van de veiligheid van de Lekdijk kunnen op een positieve grondhouding van de gemeente rekenen. In het kader van de dijkversterking wordt al
onderzocht of plannen van initiatiefnemers, integraal, meegenomen kunnen worden (“werk met werk” maken), de zogenaamde meekoppelkansen.
Ten behoeve van toekomstige ontwikkelingen langs de Lekdijk heeft het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden al een Kwaliteitskader (2015) opgesteld. Aan de hand van dit Kwaliteitskader zijn de cultuurhistorische kenmerken en kwaliteiten van het gebied rondom de Lekdijk in beeld gebracht. Deze kwaliteiten zijn vertaald in een gebiedsanalyse, ontwerphandreikingen en adviezen voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Wij vinden het opgestelde Kwaliteitskader een waardevolle handreiking.
Bouwpercelen langs de Lekdijk
De huidige bouwpercelen langs de Lekdijk worden grotendeels overlapt door de beschermingszone van de Lekdijk. In deze beschermingszone is het niet toegestaan nieuwe bebouwing te realiseren. Rekening houdend met toekomstige maatregelen aan de Lekdijk willen wij voorkomen dat de bouwmogelijkheden op deze percelen verder beperkt worden. De gemeente Lopik zal daarom in het nieuw op te stellen bestemmingsplan met “verbrede reikwijdte” onderzoeken of de bouwpercelen langs de Lekdijk zodanig aangepast kunnen worden dat in toekomst, buiten de beschermingszone, kan worden voorzien in de gebruikelijke bouwmogelijkheden. Dit kan onder andere betekenen dat de bouwpercelen verlengd of verbreed worden zodat de bebouwing op grotere afstand van de Lekdijk gerealiseerd kan worden.
12.2.2. Bodemdaling
Een groot deel van ons landelijk gebied bestaat uit veenweide. In deze veenweidegebieden is melkveehouderij het belangrijkste grondgebruik, naast natuur en bebouwing. Deze veenbodems zijn erg gevoelig voor bodemdaling. Gemiddeld daalt de bodem in veengebieden 1,5 centimeter per jaar. Bodemdaling heeft op lange termijn gevolgen voor natuur, landschap, infrastructuur en grondgebruik.
De provincie Utrecht wil de bodemdaling zo veel mogelijk afremmen. Dit streven is vastgelegd in het “Bodem, Water en Milieuplan” en de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie. Hierin verbiedt de provincie Utrecht het scheuren en ploegen van de bodem in gebieden die als (zeer) kwetsbaar voor oxidatie zijn aangewezen.
Uiteraard zet ook het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden in op het tegengaan van de schadelijke gevolgen van bodemdaling. Dit vergt een gezamenlijke aanpak waarbij het accent ligt op het mobiliseren van de gebruikers van het gebied om tot oplossingen te komen. Oplossingen voor de problematiek van de zakkende veenweide zijn niet eenvoudig omdat duurzame maatregelen voor de lange termijn vaak botsen met de huidige gevestigde belangen (HDSR, 2016). Door bodemdaling op dit moment als reële bedreiging voor ons landelijk gebied te erkennen, creëren wij ruimte voor een discussie over de problematiek en de mogelijke oplossingen.
Het tegengaan van bodemdaling vereist innovatieve maatregelen. Maatregelen die nu nog in de kinderschoenen staan en zich nu nog beperken tot enkele pilots. Hoewel de ruimtelijke gevolgen van deze oplossingen nog niet duidelijk zijn moet bodemdaling weldegelijk in acht genomen worden als risico bij het toekomstig gebruik van het landelijk gebied. Bodemdaling speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de verduurzaming van de landbouw, de ontwikkeling van natuur en de aanleg van infrastructuur. Bij toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied moet de gemeente Lopik de risico’s van bodemdaling in acht nemen en ruimte laten voor (fysieke) maatregelen die bodemdaling kunnen afremmen.
12.2.3. Duurzame energie in het landelijk gebied
Een goede inpassing van duurzame energie in een open veenweidelandschap vereist een breed afwegingskader. Het belang van de kwaliteit van ons gebied staat vaak haaks op de ruimtelijke gevolgen van ontwikkelingen gericht op duurzame energie. De hoogte van windmolens en de benodigde oppervlakte voor zonneakkers gaan al snel ten kosten van de belevingswaarde (hoge bouwwerken in open landschap) en de gebruikswaarde (zonneakkers onttrokken aan agrarische functie) van ons landelijk gebied.
Grootschalige ontwikkelingen zullen in samenhang met andere gemeenten en op het niveau van de provincie Utrecht uitgewerkt moeten worden. De transitie naar duurzame energie is onafwendbaar en zal grote invloed hebben op het gebruik van de ruimte. Ook in ons landelijk gebied. De realiteit is dat we een toename van projecten op het gebied van duurzame energie kunnen verwachten. Ruimtelijk gezien begrijpen wij dat er eerst gekeken wordt naar de optimalisering en uitbreiding van bestaande locaties. Zo ook voor windenergie. Het doel daarbij is om verspreiding van (kleine) projecten te voorkomen en daarmee verdere verrommeling van het landschap tegen te gaan. Wij zijn ons er daarom van bewust dat voor wat betreft windenergie ook de gemeente Lopik in beeld is als ontwikkelingsgebied. Hoewel wij ook bij optimalisering en uitbreiding van bestaande locaties de ruimtelijke kwaliteit nauwlettend in de gaten zullen houden, zullen wij ook aandacht vragen voor het proces, de betrokkenheid van omwonenden en het draagvlak in de omgeving. Uitgangspunt is dat de omgeving ook mag profiteren van de eventuele ontwikkeling van duurzame energie.
In Lopik melden zich ook langzaam maar zeker meer initiatiefnemers voor zonneakkers. Dit zijn projecten waarbij grote delen van het open veenweidelandschap worden ingericht met zonnepanelen. Het gebruik van het landschap ten behoeve van zonneakkers heeft uiteraard gevolgen voor de belevingswaarde van het landschap omdat zij vaak een industriële uitstraling hebben. Nog groter is het effect op de gebruikswaarde van de gronden. Wanneer de weidegrond ingericht is als zonneakker verliest deze zijn agrarische functie. Dit laatste vinden wij onwenselijk voor een toekomstbestendige ontwikkeling van de grondgebonden veehouderij in onze gemeente. Wij zijn dan ook geen voorstander van dergelijke ontwikkelingen in ons landelijk gebied.
Gelet op de belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde kunnen projecten op het gebied van duurzame energie wat ons betreft slechts een meerwaarde betekenen als er sprake is van meervoudig ruimtegebruik. Wij willen daarom in de toekomst wel ruimte bieden aan perceelsgerichte initiatieven waarbij meerdere vormen van duurzame energie (voornamelijk zonne-energie en biomassa) gecombineerd worden op bouwpercelen met een (agrarische) bedrijfsfunctie.
In het op te stellen bestemmingsplan met “verbrede reikwijdte” kan duurzaamheid opgenomen worden. Duurzaamheid is een belangrijk onderdeel van de toekomstwaarde van ons landelijk gebied en daarmee de ruimtelijke kwaliteit. In de toekomst mag duurzaamheid nadrukkelijk onderdeel zijn van ons afwegingskader. Op deze manier kan ook duurzaamheid onderdeel vormen van een “tegenprestatie” voor ruimere planologische mogelijkheden.
12.2.4. Stiltegebieden
Ons landelijk gebied wordt steeds voller en drukker. Het bestaan van Stiltegebieden is daarom belangrijk. Een groot deel van de noordelijke rand van onze gemeente is gelegen in een Stiltegebied. Mens en natuur hebben behoefte aan plekken waar nog stilte en rust heerst. In Stiltegebieden overheersen gebiedseigen geluiden. Ook in Stiltegebieden kan de stilte verstoord worden, bijvoorbeeld door wegen, recreatie en bedrijfsactiviteiten. Provincies leggen de grenzen van Stiltegebieden vast in provinciale milieubeleidsplannen. Het is aan gemeenten om in hun ruimtelijk beleid uitwerking te geven aan het provinciaal beleid. Het streven is om de geluidbelasting in Stiltegebieden laag te houden. Voor activiteiten in een Stiltegebied die lawaai maken, moet ontheffing aan de provincie gevraagd worden.
Stiltegebieden Lopik (Bron Atlas Leefomgeving)
De Stiltegebieden zijn gelegen op enige afstand van onze bebouwingslinten. Het normale gebruik van de percelen in de bebouwingslinten heeft daarom een minimaal effect op de geluidsbelasting van de Stiltegebieden. Toch zijn er nog tal van percelen die zo diep het landschap in reiken dat zij in de bufferzone en zelfs in de stille kern van het Stiltegebied zijn gelegen. Bij de uitbreiding van activiteiten op die percelen zal zorgvuldige gekeken moeten worden naar verdere ontwikkelingsmogelijkheden. Het is echter niet onze bedoeling het landelijk gebied deels op “slot” te zetten vanwege de aanwezigheid van de Stiltegebieden. Wij zullen in ons bestemmingsplan de ruimte zoeken om de ontwikkeling van gebiedseigen activiteiten zoals agrarische bedrijfsactiviteiten en (extensieve) recreatieve functies zoveel mogelijk te faciliteren. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de geluidsbelasting in Stiltegebieden.
12.2.4. Woon- en leefklimaat rondom knooppunten.
De gemeente Lopik kent een aantal drukke knooppunten. Het gaat dan om de knooppunten rondom de kruisingen met de M.A. Reinaldaweg (N204) en de kruising van Polsbroekerdam. Wat ons betreft wordt ingezet op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van deze knooppunten. In de eerste plaats heeft dit betrekking op de verbetering van de belevingswaarde. Dit is niet alleen van belang voor de omwonenden maar ook van algemeen belang omdat deze knooppunten tevens de entree van onze kernen vormen. Rondom de knooppunten en de aansluitende bebouwingslinten kan de ruimtelijke uitstraling daarom op extra aandacht rekenen. In de tweede plaats zal gestreefd worden naar de verbetering van de (verkeers)veiligheid rondom deze knooppunten. De verkeerssituatie en het grote aantal verkeersbewegingen is voor veel omwonenden een zorg. Hoewel wij de M.A. Reinaldaweg niet beheren staan wij open voor initiatieven om de veiligheid te verbeteren. Voor de kruising van Polsbroekerdam is al ingezet op een verbetering van de verkeerssituatie.
Knooppunten in Lopik (rood omcirkeld)
Ook willen wij omwonenden de mogelijkheid bieden om maatregelen te nemen om hun eigen woon- en leefklimaat rondom deze knooppunten te verbeteren. Dit zou kunnen leiden tot extra bouwmogelijkheden wanneer aantoonbaar is dat hierdoor de hinder op percelen wordt verminderd of de duurzaamheid van de bebouwing wordt verbeterd.
12.2.5. Infrastructuur en verkeer
De infrastructuur in ons landelijk gebied is opgebouwd aan de hand van een tweetal historische polderlinten in oost-westrichting. Deze wegen worden voornamelijk gebruikt door bestemmingsverkeer van en naar de kernen en de aangelegen percelen. Het noordelijk gelegen polderlint (Zuidzijdseweg-Boveneind) kenmerkt zich door lange rechte wegen en wordt over het algemeen gezien als goed ontsloten. Het zuidelijke polderlint (Lopikerweg West en Oost) wordt gekenmerkt door een nogal bochtig karakter en is hierdoor minder makkelijk begaanbaar. Deze wegen hebben een ondergeschikte functie voor het doorgaande verkeer maar worden desondanks regelmatig gebruikt door sluipverkeer. Het grootste deel van het doorgaande verkeer maakt gebruik van de provinciale wegen, de M.A. Reinaldaweg (N210) en de F.E.D. van Enschedeweg (N210).
Uit de inventarisatie voorafgaande aan deze visie is naar voren gekomen dat onze inwoners hinder ervaren van het (toenemende) autoverkeer. De overlast komt voornamelijk voort uit het grote aantal verkeersbewegingen, het rijgedrag van de weggebruiker en het gebruik van de wegen langs de smalle bebouwingslinten door grotere voertuigen. Inwoners ervaren het landelijk gebied hierdoor als onveilig voor het verkeer. We zetten de grootste bezwaren even kort op een rij:
Noordelijk polderlint (Zuidzijdseweg-Boveneind)
rijgedrag (vaak te hard gereden);
sluipverkeer en toenemend aantal verkeersbewegingen.
Zuidelijk polderlint (Lopikerweg West en Oost)
sluipverkeer;
gebruik smalle wegen door toenemend “groot” verkeer.
Lekdijk
sluipverkeer;
toenemend recreatief verkeer.
Knooppunten
geluidshinder en andere vormen van overlast door wachtend verkeer;
rijgedrag;
onoverzichtelijke indeling / ontbreken duidelijk wegmarkering.
De overlast welke hiervoor beschreven is hangt nauw samen met de gebiedsstructuur en de ruimtelijke inrichting van ons landelijk gebied met zijn vele (agrarische) bedrijfspercelen. De opbouw van de infrastructuur is een vast gegeven. Gelet op de landschappelijke kwaliteit en cultuurhistorische waarden van de bebouwingslinten liggen grootschalige infrastructurele aanpassingen niet voor de hand. Toch moeten we rekening houden met een toenemend aantal verkeersbewegingen en de zorg ten aanzien van de bereikbaarheid en de veiligheid in ons gebied. Verkeersmaatregelen zullen zich moeten toespitsen op aanpassingen binnen de bestaande infrastructuur. Het recente verleden heeft uitgewezen dat het niet eenvoudig is om tot passende oplossingen te komen welke kunnen rekenen op een groot draagvlak. In het landelijk gebied spelen verschillende belangen die op dit terrein van infrastructuur nogal eens met elkaar in conflict komen. Zo mogen verkeersremmende maatregelen bijvoorbeeld de bereikbaarheid van agrarische percelen niet belemmeren. Hierdoor is de aanleg van wegversmallingen weinig effectief. Ook hebben we gemerkt dat inwoners de verkeersremmende maatregelen niet graag voor hun deur gerealiseerd zien worden. De haalbaarheid en effectiviteit van maatregelen zal ook in de toekomst onderwerp van discussie blijven. Daarbij zal ook de problematiek van de Lekdijk hoog op de agenda staan.
Effect van stoppende agrarische bedrijven
Het realiseren van nieuwe niet agrarische neven- en vervolgfuncties ter plaatse van voormalige agrarische bedrijfspercelen kan gepaard gaan met een grotere verkeersaantrekkende werking. Ook de verkoop van weidegronden bij voormalige agrarische bedrijven kan tot meer verkeersbewegingen leiden. Nu al zien wij dat agrarische bedrijven, door de aankoop van nieuwe gronden, beschikken over weidegebieden versnipperd gelegen door de gemeente. Om deze gronden te beheren moeten er grotere afstanden over de openbaar weg afgelegd worden. De verwachting is dat deze trend zich door zal zetten. Mogelijk dat hierdoor in de toekomst opnieuw nagedacht moet worden over een nieuwe ruilverkaveling.
Wat we in ieder geval gaan oppakken is de herinrichting van de Damweg in de richting van Oudewater. Door dit deel van de Damweg in te richten zoals de Damweg richting Lopik verwachten wij de snelheid van het verkeer te beperken en het gebruik van de Damweg als route voor sluipverkeer minder aantrekkelijk te maken. In aansluiting daarop zal onderzocht worden hoe de verkeersveiligheid in de bebouwde kom van Polsbroekerdam verbeterd kan worden.
In het op te stellen bestemmingsplan verwachten wij dus geen nieuwe infrastructurele projecten op te nemen. Aanpassingen van wegen en maatregelen ten behoeve van de verkeersveiligheid kunnen veelal binnen de huidige verkeersbestemming opgelost worden. Bij ontwikkelingen op vrijkomende agrarische percelen zullen we de verwachte verkeersaantrekkende werking van vervolgfuncties in onze afweging meenemen. Dit kan er toe leiden dat in sommige delen van ons landelijk gebied, vervolgfuncties met een grotere verkeersaantrekkende werking worden uitgesloten. Daarnaast willen wij bestaande bedrijven met een grote verkeersaantrekkende werking stimuleren hun bedrijfsactiviteiten te verplaatsen naar delen van het landelijk gebied welke goed ontsloten zijn. Daarbij roepen wij ondernemers op om gezamenlijk op zoek te gaan naar nieuwe samenwerkingsverbanden. Denk hierbij aan gezamenlijke parkeervoorzieningen of wasplaatsen op goed bereikbare locaties. Ook de clustering van nu nog losse bedrijven die elkaar, gelet op hun activiteiten of klantenkring, kunnen versterken, wordt gezien als een positieve ontwikkeling.