Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18 lid 2 van de Wet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.
Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval verstaan:
het op een onverantwoorde wijze besteden van vermogen of vermogensbestanddelen voor zover de noodzaak tot bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien;
het verwijtbaar geen beroep (kunnen) doen op een voorliggende voorziening, door deze niet te gelde te maken dan wel weigeren er een beroep op te doen, daaronder tevens begrepen het doen van een beroep op bijstand omdat een voorliggende voorziening volledig verrekend wordt met een bestuurlijke boete en betrokkene om die reden niet kan voorzien in de kosten van het bestaan.
indien belanghebbende op een andere wijze door eigen toedoen afhankelijk wordt van de bijstand, dan wordt de bijstand op deze gedragingen afgestemd met een verlaging van 100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand.
De maatregel wordt vastgesteld op:
10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij een benadelingsbedrag tot € 500,-
20 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij een benadelingsbedrag vanaf € 500,- tot € 2000,-
40 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000,- tot € 4000,-
100 procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden, bij een benadelingsbedrag vanaf 4000,- tot € 10000,-.
als het benadelingsbedrag meer dan € 10000,- bedraagt, wordt een individueel besluit genomen.
Hoofdstuk 4.
Artikel 13.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ.