Naar hoofdinhoud
In het gebied Fellenoord (zie figuur 3 in het Masterplan) is op de lange termijn de geprognotiseerde vraag naar verwarming en koeling voor de gebouwen groter dan het aanbod uit de bodem. Om toch zoveel mogelijk gebouwen van bodemenergie (maximaal 31 doubletten) te kunnen voorzien, zijn de navolgende ordeningsregels van toepassing. Algemeen: 1.. Alleen open bodemenergiesystemen in de vorm van clusters van doubletten zijn toegestaan, dus geen monobronnen, recirculatiesystemen of gesloten bodemenergiesystemen- (GBES); 2.. Als regel geldt: aanleg op basis van collectiviteit. Collectiviteit betekent dat een vergunningaanvraag gebaseerd moet zijn op een laag temperatuur bron-net geschikt voor individuele of collectieve bodemenergiesystemen, waarbij één doublet - of zoveel doubletten als er nodig zijn - op meerdere gebouwontwikkelingen (vastgoedprojecten) worden aangesloten via een collectief laag temperatuur bron-net. Hiervan kan worden afgeweken indien wordt aangetoond dat de individuele aanvraag geen andere (toekomstige) (collectieve) OBES in de weg staat of indien deze later onderdeel kan worden van een collectief systeem. Initiatiefnemers dienen in een vroeg stadium contact op te nemen met de gemeente Eindhoven om de inpassing van het beoogde OBES af te stemmen; Positionering: 3.. Alleen bronnen met de maximaal mogelijke effectieve filterlengte, een minimale brondiameter van 800 mm en tot een diepte van maximaal 80 m-mv zijn toegestaan; 4.. Bronnen worden geplaatst binnen de grenzen van de voor Fellenoord vastgestelde/beschikbare zoekgebieden, corresponderend met het type bron (warm/koud). N.B. enkele clusters liggen fysiek niet in het deelgebied Fellenoord, maar behoren wel tot de zoekgebieden van Fellenoord; 5.. Bronnen worden in principe niet in de openbare ruimte geboord, tenzij aan de coördinator bodemenergie van de gemeente Eindhoven wordt aangetoond dat het niet anders kan. In dat geval dient in een vroeg stadium bij de gemeente Eindhoven als grondeigenaar toestemming te worden verkregen om bronlocaties en leidingtracés aan te mogen leggen; 6.. De locaties van de clusters zijn op de plankaart aangegeven; 7.. Een warme en een koude bron op de grens van een cluster, moeten een bepaalde minimale afstand tot elkaar respecteren. Deze afstand is minimaal 2 x de thermische straal (≈ 90m) maar kan groter zijn, afhankelijk van het beoogde aantal bronnen in betreffendeclusters, zie tabel 6 in het Masterplan. De middelpunten van de clusters moeten minimaal de aangegeven afstanden in tabel 6 tot elkaar respecteren; 8.. Binnen een cluster dienen warme, en dus ook koude, bronnen onderling 20 à 30 m uit elkaar te liggen. Niet minder in verband met ongewenste hydrologische effecten. Bronnen worden zodanig geplaatst dat deze óf goed op elkaar aansluiten (dus 20 à 30 m uit elkaar) óf dat er voldoende ruimte is om later nog een bron tussen te kunnen plaatsen; Dimensionering systeem: 9.. Elk doublet is geschikt om een capaciteit van minimaal 150 m³/uur te injecteren en onttrekken. Eventuele overcapaciteit wordt gemeld aan de coördinator bodemenergie en beschikbaar gesteld aan andere initiatiefnemers; 10.. Een doublet moet voorbereid zijn om naderhand aan te kunnen sluiten op een bron-net(clustering); 11.. In het ontwerp van nieuwe doubletten dient om droogvallen van de onderwaterpompen te voorkomen, rekening gehouden te worden met een extra stijghoogteverlaging van 2 meter in de bron ten gevolge van de hydrologische invloed van andere doubletten; 12.. Het uitleggen van alle doubletten binnen een buurt op dezelfde ontwerptemperaturen is een belangrijke randvoorwaarde om de bronnen in de toekomst relatief eenvoudig op een collectief bron-net aan te sluiten. De gemiddelde infiltratietemperatuur (of ontwerptemperatuur) dient derhalve bij koudelevering 16 °C te bedragen, en bijwarmtelevering 7 °C; 13.. Om te voorkomen dat de cumulatieve effecten op de grondwaterstanden te groot worden, wordt een maximum debiet van 150 m3/uur voorgeschreven. Dit geldt met name voor het gebied ten zuiden van de spoorzone rondom het Station Eindhoven Centraal. Mocht uit de effectberekeningen die bij een vergunningaanvraag worden ingediend blijken dat er toch wateroverlast ontstaat dan dienen er extra beheersmaatregelen genomen te worden in de vorm van bijvoorbeeld “spanningsbemalingen”; GGB: 14.. VOCl-verontreinigingen in het grondwater vallen onder het GGB-beleid en mogen de (doel)gebiedsgrens in horizontale en verticale richting niet overschrijden. Daarom dienen alle aanvragen voor OBES vooraf getoetst te worden door de coördinator bodemenergie; 15.. Overige verontreinigingen (o.a. minerale olie, aromaten en zware metalen) mogen zich niet verder verspreiden en vallen buiten het GGB-beleid; Energie: 16.. Elk OBES dient thermisch in balans te zijn. De provincie Noord-Brabant verwoordt deze balanssituatie in de beschikking van de vergunning Waterwet; Grondwaterstanden: 17.. Nieuwe aanvragen van vergunningen in het kader van de Waterwet in dit deelgebied worden door de gemeente Eindhoven getoetst op het significant wijzigen van grondwaterstanden. In geval daardoor extra wateroverlast ontstaat, zal de gemeente Eindhoven daarvoor aanvullende beheersmaatregelen formuleren.

Rechtspraak bij dit artikel