De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
Zij geven ongevraagd en met toepassing van artikel 19a van de Wet aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is, tenzij strijdig met het openbaar belang.
Zij geven - tezamen dan wel afzonderlijk - aan het algemeen bestuur wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen, conform het reglement van orde van het algemeen bestuur.
Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.
Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.
Hoofdstuk 7.
Artikel 20.
Dagelijks bestuur en (plaatsvervangend) voorzitter ten opzichte van het algemeen bestuur
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Heesch West