Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › § 1

Artikel 2.1

Algemene bepalingen

Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering, invordering en verhaal gemeente Olst-Wijhe

1.. Het college is verplicht het recht op uitkering te herzien of in te trekken op grond van artikel 54, derde lid eerste zin van de Participatiewet dan wel artikel 17, derde lid eerste zin van de IOAW/IOAZ. 2.. Het college is verplicht tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid dan wel artikel 25, eerste lid van de IOAW/IOAZ, tenzij er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid van de Participatiewet dan wel artikel 25, zevende lid van de IOAW/IOAZ. 3.. Het college maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid het recht op uitkering te herzien of in te trekken op grond van artikel 54, derde lid tweede zin van de Participatiewet, dan wel artikel 17, derde lid tweede zin van de IOAW/IOAZ, wanneer geen sprake is van een wettelijke verplichte herziening of intrekking van het recht. 4.. Het college maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, artikel 59 van de Participatiewet, artikel 60 van de Participatiewet, artikel 12 lid 2, sub c, artikel 39 en de artikelen 41 en 43 van het Bbz 2004, artikel 25, tweede en derde lid en artikel 26 van de IOAW/IOAZ. 5.. De belanghebbende, de gezinsleden en de verzwegen partner als bedoeld in artikel 59 van de Participatiewet en artikel 26 van de IOAW/IOAZ zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de vordering. 6.. De invordering van terugvorderingsschulden gaan voor op de zogeheten concurrente vorderingen. 7.. Het college bruteert het (resterende) bedrag van een fraudevordering, als de belanghebbende het verschuldigde bedrag niet betaalt in hetzelfde boekjaar, waarin wordt teruggevorderd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel