Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.1

Artikel 151c Gemeentewet

Onderdeel van Beleidskader cameratoezicht Harderwijk

In artikel 151 c van de Gemeentewet staat de grondslag voor cameratoezicht op openbare plaatsen opgenomen (zie bijlage 1 voor de volledige wettekst). Het begrip openbare plaats is ontleend aan de Wet openbare manifestaties (WOM). De WOM verstaat onder een openbare plaats, een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Dat een plaats openstaat voor het publiek houdt in dat in principe iedereen vrij is om daar te komen, te verblijven en te gaan. Openbare plaatsen zijn in de eerste plaats de weg en de plaatsen die een daarmee vergelijkbare functie vervullen, zoals plantsoenen, parken en de voor iedereen vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages en winkelgalerijen. In de Gemeentewet is bepaald dat het doel bij de toepassing van gemeentelijk cameratoezicht het handhaven van de openbare orde is. Hieronder valt ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeente. Artikel 151 c is op 23 maart 2016 gewijzigd. Vóór de wetswijziging was de inzet beperkt tot vaste camera’s. Camera’s mochten alleen nagelvast op een specifieke plek in de publieke ruimte worden aangebracht. Vanaf 2016 is mobiel cameratoezicht mogelijk. Overlast, criminaliteit kan daardoor effectiever worden bestreden, binnen het aangewezen gebied (Aanwijzingsbesluit met plattegrond). Tweede belangrijke wijziging is dat er niet steeds daadwerkelijk sprake hoeft te zijn van een verstoring van de openbare orde of van een concrete dreiging daarvan. De Memorie van Toelichting stelt “dat de burgemeester op basis van de wetswijziging mobiele camera’s in kan zetten. Hij kan dit alleen doen ter handhaving van de openbare orde. Daarbij hoeft niet steeds daadwerkelijk sprake te zijn van een verstoring van de openbare orde of van een concrete dreiging daarvan. Onder handhaving van de openbare orde door de burgemeester valt immers ook de algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving”. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen welke vorm van cameratoezicht – vast of mobiel dan wel een combinatie daarvan – gebruikt wordt in een specifieke situatie. Samenvattend beschrijft Artikel 151c op welke wijze en onder welke voorwaarden een gemeente cameratoezicht mag inzetten. Hierna de belangrijkste voorwaarden: Het moet gaan om toezicht op een openbare plaats en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn; Het doel moet zijn de handhaving van de openbare orde (*) dus niet bewaking of beveiliging; Hieronder valt ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeente (MvT, 2016) Gemeentelijke camera’s mogen alleen voor een bepaalde duur (*) worden ingezet, tot het niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde; De burgemeester moet in elk aanwijzingsbesluit bekend maken waar de gemeentelijke camera’s komen en voor hoe lang; Als gemeentelijke camera’s niet meer noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde danwel de bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten, moet de burgemeester het aanwijzingsbesluit intrekken; De burgemeester stelt na overleg met de Officier van Justitie de periode vast waarin gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden rechtstreeks worden bekeken. Camerabeelden worden maximaal 28 dagen worden bewaard. De gemeente werkt bij gemeentelijk cameratoezicht nauw samen met de politie: de politie moet het cameratoezicht uitvoeren (‘de burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het besluit van de onder zijn gezag staande politie’); De opnames mogen worden gebruikt voor opsporing van strafbare feiten als er een concrete aanleiding is te vermoeden dat ze noodzakelijk zijn voor een opsporingsonderzoek. Door deze extra eis wordt opsporing vaak ‘bijvangst’ genoemd om het te onderscheiden van het primaire doel: het handhaven van de openbare orde. * .. handhaving openbare orde … De Gemeentewet biedt een grondslag voor cameratoezicht, maar alleen voor cameratoezicht met als doel de handhaving van de openbare orde, waaronder ook valt de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Er bestaat geen eenduidige definitie van openbare orde; de jurisprudentie laat zien dat de burgemeester een grote beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen wanneer bevoegdheden voor openbare orde moeten worden toegepast. Het gaat bij openbare orde niet zozeer om de strafbare feiten zelf, maar om het effect van die feiten op het openbare leven; Er moet (dreiging van) een fysiek effect van hinder of gevaar zijn voor het normale openbare leven wil je kunnen spreken van een openbare orde verstoring. Ook blijkt dat het bij openbare orde altijd moet gaan om het algemeen belang dat is/wordt geschaad. Als alleen enkel individuele belangen zijn geschaad, en geen herhaling, is dat nog geen verstoring van de openbare orde. * .. alleen voor bepaalde duur.. De Gemeentewet biedt een grondslag voor cameratoezicht van bepaalde duur. Logischerwijs betekent dit dat een gemeentelijke camera in principe niet permanent mag blijven hangen. Alle bevoegdheden in de Gemeentewet ter handhaving van de openbare orde zijn er om de burgemeester te helpen het hoofd te bieden aan problemen die plotseling, concreet en actueel blijken. De burgemeester zet die bevoegdheden spaarzaam in. In de praktijk zien we dat er in zeer veel gemeenten – ook onze gemeente - camera’s zijn die jaren op exact dezelfde plek hangen. Dat is volgens de letter van de wet toelaatbaar, want ook x jaar is ‘een bepaalde duur’. Gemeentelijke camera’s zijn er om feitelijke verstoringen van de openbare orde te beëindigen of mogelijke verstoringen te voorkomen. Er zit dus altijd een stevige preventieve component in. Ook hier is het aan de burgemeester – mede luisterend naar de gemeenteraad en de driehoek – te bepalen hoe lang de camera’s kunnen blijven hangen. Hierbij is een periodieke evaluatie van het cameratoezicht het juiste middel om elke keer weer de afweging te maken. Vaststellen noodzaak, afwegen proportionaliteit en subsidiariteit Aangetoond moet worden dat camera's noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Er moet sprake zijn van een locatie, een gebied waar zich onveilige situaties voordoen of met enige regelmaat de orde wordt verstoord. Het analyseren van de veiligheidssituatie voor een goed beeld van de problematiek is een voorwaarde. Dit dient te blijken uit politieregistraties en een zogeheten bestuurlijke rapportage aan de burgemeester. Het is namelijk aan de burgemeester om te beoordelen of het noodzakelijk is om cameratoezicht in te zetten. Deze bevoegdheid ligt bij de burgemeester als bestuursorgaan. Cameratoezicht is proportioneel als het in verhouding staat tot de problematiek. Waar het bovendien om gaat is dat andere (veiligheids)maatregelen eerst zijn uitgeprobeerd en niet genoeg blijken op te leveren. Cameratoezicht is subsidiair als andere instrumenten, die de privacy minder inperken, niets of onvoldoende opleveren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel