Naar hoofdinhoud

Artikel 5.

Weigeren en beëindigen

Onderdeel van Beleidsregels schuldhulpverlening Purmerend 2022

Indien cliënt niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals neergelegd in artikel 6 en 7 van de wet, de voorwaarden uit de beschikking en bijbehorend plan van aanpak, kan het college besluiten om schuldhulpverlening (tijdelijk) te weigeren of te beëindigen. Indien minder dan 2 jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoek is ingediend, door cliënt een traject schuldregeling (geheel of gedeeltelijk) is doorlopen (minnelijk en/of wettelijk), kan een aanvraag schuldhulpverlening worden geweigerd voor een periode van maximaal 6 maanden, met uitzondering van het geven van informatie, advies en/of een doorverwijzing. Voor het besluit tot weigering of beëindiging, wordt aan de cliënt schriftelijk en eenmalig een redelijke hersteltermijn geboden om alsnog, de gevraagde medewerking te verlenen of informatie te verstrekken. Een traject van schuldhulpverlening stopt van rechtswege bij het overlijden van de cliënt. Beëindiging vindt altijd plaats op basis van een beschikking van het college. Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels en de wet, kan het college besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien: de cliënt niet langer tot de doelgroep behoort; de cliënt zich ten opzichte van de medewerkers van de gemeente misdraagt; de cliënt in staat is om zijn schulden zelf of via diens netwerk te regelen; de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de inwoner, niet (langer) doelmatig is; de cliënt hier schriftelijk om verzoekt; een nieuwe schuld is ontstaan tijdens de looptijd van het schuldregelingstraject; blijkt dat de cliënt -bewust- informatie heeft achtergehouden of onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt; op grond van -indien later blijkt- onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan betrokkene is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen; er tijdens het traject een fraudevordering is ontstaan, waarvan het bestuursorgaan heeft vastgesteld dat cliënt opzettelijk heeft gefraudeerd; de cliënt de beschikbare aflossingscapaciteit niet wil gebruiken om de schulden af te lossen; blijkt dat de cliënt schuldhulpverlening krijgt op grond van onjuiste gegevens; het minnelijk traject niet geslaagd is en de cliënt gebruik wil maken van het wettelijk schuldsaneringstraject (WSNP); de cliënt verhuist naar buiten de gemeente vóór het aangaan van de schuldregelingsovereenkomst.; de schuldhulpverlening door het college niet langer noodzakelijk wordt geacht; de cliënt niet voldoet aan de bepalingen van de overeenkomsten die in het kader van het schuldhulpverleningstraject met hem gesloten worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel