Van uittreding is sprake indien het college en de burgemeester van één van de gemeenten besluiten om de samenwerking op basis van de regeling te beëindigen. Een besluit tot uittreding door het college en de burgemeester van één van de gemeenten wordt niet genomen dan nadat zij hun raad in de gelegenheid hebben gesteld daarover een zienswijze naar voren te brengen en zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun raad, overeenkomstig artikel 1, tweede, derde en vierde lid, van de Wet.
Uittreding uit de regeling geschiedt door toezending van de daartoe strekkende besluiten van het college en de burgemeester van de gemeente die wenst uit te treden aan het college van de andere gemeente. Het college van de gemeente die uittreedt overlegt daarbij ook het toestemmingsbesluit van de raad.
Indien een besluit tot uittreding, als bedoeld in het eerste lid, is genomen geven de colleges van de gemeenten gezamenlijk een onafhankelijke registeraccountant opdracht om een uittredingsplan op te stellen.
Het uittredingsplan bevat de, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende gemeente. Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. Deze systematiek is gebaseerd op:
a. Relevante regelgeving;
b. Relevante jurisprudentie;
c. Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
De uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. Onder frictiekosten wordt verstaan alle te maken incidentele kosten door de niet-uittredende gemeente die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van de andere gemeente. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door de centrumgemeente die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarin begrepen, ontstaan bij de centrumgemeente als direct gevolg van de uittreding. Van te compenseren desintegratiekosten is alleen sprake bij uittreding door de gastgemeente. Beide gemeenten doen bij uittreding al het redelijkerwijs mogelijke om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. De kosten die de uittredende gemeente maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van die gemeente.
Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het uittredingsplan als bedoeld in het derde lid.
Uiterlijk zes maanden na de bekendmaking van de besluiten tot uittreding als bedoeld in het tweede lid stellen de colleges van de gemeenten het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende gemeente omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
De uittredende gemeente is gehouden om de in het uittredingsplan vastgestelde uittreedsom te voldoen in maximaal drie jaarlijkse gelijke termijnen, startend in het eerste jaar dat de uittreding in werking is getreden. De termijnen dienen jaarlijks uiterlijk op 31 januari te zijn voldaan. Over de termijn(en) die niet is (zijn) voldaan in het eerste jaar dat de uittreding in werking is getreden, is jaarlijks rente verschuldigd. Het uittredingsplan bepaalt het rentepercentage.
De uittreding treedt in werking op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin de besluiten tot uittreding zijn genomen en bekendgemaakt, tenzij de colleges en de burgemeesters van de gemeenten daarover anders besluiten
Hoofdstuk 4
Artikel 17 Uittreding