Naar hoofdinhoud
1.. Het afzien van invordering betekent het buiten invordering stellen van de terug te vorderden bijstand zodat slechts een natuurlijke verbintenis blijft bestaan; 2.. In afwijking van de artikelen 4 en 5 kunnen burgemeester en wethouders besluiten van invordering af te zien als: na het ontstaansmoment van een vordering de debiteur gedurende 36 maanden volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan van de betreffende of andere vordering zoals genoemd in artikel 1 lid 1, niet zijnde een boete of vordering wegens schending van de inlichtingenplicht; debiteur 50% van zijn (rest)vordering ineens voldoet; debiteur bij een vordering gedurende 3 jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar de achterstallige betalingen over die periode, vermeerderd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog binnen 30 dagen na het verzoek tot betaling heeft betaald; debiteur gedurende 5 jaar geen betaling heeft verricht op een vordering en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; een minnelijke of dwingende schuldregeling op grond van artikel 2 Wgs en de Gedragscode Schuldregeling NVVK tot stand is gekomen en de vordering ten minste wordt voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang én de schuldregeling met succes is afgerond; debiteur genoemd in artikel 4, zevende lid het diploma na de gebruikelijke duur van de opleiding behaalt; bij beëindiging van de uitkering op grond van de wetten zoals genoemd in artikel 1, eerste lid onder a, b en c het in te vorderen bedrag minder dan € 250,00 bedraagt. 3.. De bepaling in artikel 9, tweede lid, onder a tot en met d zijn niet van toepassing indien debiteur op dat moment over voldoende bezittingen beschikt om de vordering ineens af te lossen. 4.. De bepaling in artikel 9, tweede lid, onder a, b, c, f en g zijn niet van toepassing: bij vorderingen die zijn ontstaan door naderhand ontvangen inkomen of vermogen voor zover genoemd in de wetten; bij vorderingen die zijn ontstaan als gevolg van het niet nakomen van verplichtingen verbonden aan een geldlening genoemd in de wetten. 5.. Invorderingskosten worden niet buiten invordering gesteld, met uitzondering van de situaties zoals vermeld in artikel 9, tweede lid, sub d, e en f en artikel 11, eerste en tweede lid. 6.. De invordering van een schuld die is ontstaan nadat een minnelijke of dwingende schuldregeling tot stand is gekomen, wordt opgeschort voor de duur van de schuldregeling. 7.. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op vorderingen die door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel