Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 2.

Artikel 2.2

Procedure van melding tot besluit

Onderdeel van Beleidsregels Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning september 2021

Als iemand problemen ondervindt met opgroeien, opvoeden, zelfredzaamheid of participatie, dan kan er behoefte zijn aan ondersteuning. In een aantal gevallen kan het probleem worden opgelost met een beroep op het sociale netwerk, mantelzorg of vrijwilligers. Iemand die niet in staat is op eigen kracht tot een oplossing te komen, kan bij het BSL terecht voor informatie, advies en ondersteuning. Soms blijkt na een korte vraagverkenning of een kort vooronderzoek dat het geven van directe informatie en advies aan de belanghebbende voldoende is om het ondervonden probleem op te lossen. Wanneer er uit een gesprek geen hulpaanvraag voortkomt, wordt er door het BSL direct een gespreksverslag gemaakt. Wanneer verdere vraagverheldering of verdieping nodig blijkt, dan wordt een afspraak ingepland voor een uitgebreider gesprek of een huisbezoek. Het BSL voert het onderzoek uit. Indien in het verleden al eens een ondersteuningsplan is opgesteld, wordt een verkorte aanvraag opgenomen, bij wijze van (het reguliere proces van het) ondersteuningsplan. Via de volgende procedurestappen kan de benodigde ondersteuning worden vastgelegd in een ondersteuningsplan. Het besluit hiertoe wordt vastgelegd in een beschikking. 2.1.1 De Melding: melding hulpvraag Inwoners kunnen op verschillende manieren melding doen van een ondersteuningsvraag. De melding is vormvrij en kan op de volgende manieren worden gedaan: mondeling, via de publieksbalie in het gemeentehuis; telefonisch, bij het BSL; digitaal, via de website of per e-mail bij het BSL; schriftelijk, aan de gemeente. De melding mag ook door iemand anders worden gedaan, maar alleen als de inwoner daarvoor toestemming heeft gegeven. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn een familielid, een vriend of kennis, buren of een professional. Als er acute zorgen zijn over de veiligheid van het kind is toestemming van de inwoner niet nodig en wordt er een melding bij Veilig Thuis gedaan (zie hiervoor Deel II, paragraaf A Jeugdhulp, Crisishulp/Veilig Thuis). Wettelijk wordt de melding in beginsel al als hulpaanvraag beschouwd, maar in de praktijk zal de inwoner pas een hulpaanvraag indienen nadat het onderzoek is afgerond. Immers, na het onderzoek is veelal pas duidelijk wat de hulpvraag is en wat de mogelijkheden voor hulp zijn. De hulpaanvraag gebeurt door het ondertekenen van het ondersteuningsplan (zie paragraaf 2.2.4) door de inwoner. De melding wordt schriftelijk of digitaal door het BSL bevestigd. 2.2.2 Het Gesprek: inventarisatie situatie van de inwoner Het uitgangspunt is dat er eerst een inventariserend gesprek wordt gevoerd met de inwoner over de hulpvraag en eventuele ondersteuningsbehoefte. De plaats waar het gesprek wordt gehouden, hangt af van de mogelijkheden van de inwoner. Bij voorkeur wordt het gesprek gehouden bij de inwoner thuis of ergens anders waar deze zich op zijn gemak voelt. Het gesprek kan ook digitaal of telefonisch plaatsvinden. Tijdens het gesprek is het mogelijk dat een inwoner iemand meeneemt, zoals een familielid of een zorgverlener. De huisarts wordt, met toestemming van de inwoner, ingelicht over de betrokkenheid van het BSL bij de inwoner. In het gesprek wordt in ieder geval besproken: onafhankelijke cliëntondersteuning; proces en termijnen; eigen bijdrage; privacy; contact met de huisarts (gevraagd wordt welke huisarts de bewoner heeft). Na het plannen van het huisbezoek ontvangt de inwoner een afspraakbevestiging. Hierin staat informatie over het gesprek, de voorbereiding en de mogelijkheden voor ondersteuning (zie paragraaf 2.2.3). Ook wordt in de afspraakbevestiging aangegeven dat de inwoner de mogelijkheid heeft om binnen zeven dagen na melding een persoonlijk plan te overhandigen waarin gemotiveerd is aangegeven welke resultaten de inwoner wil bereiken met zijn vraag en welke ondersteuning volgens de inwoner nodig is om die resultaten te bereiken. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de inwoner een familiegroepsplan overhandigen: een hulpverlenings-plan of plan van aanpak dat is opgesteld door de ouders, samen met (bloed- of aan-)verwanten, andere betrokkenen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren of een onafhankelijke cliëntondersteuner. De inwoner wordt van deze mogelijkheid op de hoogte gesteld in de bevestiging van de melding. 2.2.3 Het Onderzoek: weging ondersteuningsmogelijkheden Binnen zes weken na ontvangst van de melding wordt een onderzoek uitgevoerd ter verheldering van de hulpvraag. Bij het onderzoek wordt de identiteit van de inwoner vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft overhandigd, wordt dit in het onderzoek betrokken. Als er op basis van voorafgaand dossieronderzoek en bekendheid met de (situatie van de) inwoner al voldoende inzicht is in de ondersteuningsbehoefte, dan kan in overleg met de inwoner het onderzoek worden stopgezet (dossierverkenning). In het onderzoek, dat wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan, komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, voorkeuren, ontwikkeling en gezinssituatie van de inwoner en het probleem of de ondersteuningsvraag; het vermogen van de inwoner (of zijn ouder) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de ondersteuningsvraag te vinden; de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; het gewenste resultaat van de in te zetten jeugdhulp/Wmo-hulp; de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening; de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken; de wijze waarop de jeugdhulp wordt afgestemd met andere voorzieningen; de mogelijkheden om te kiezen voor een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget. Soms is het de vraag of er bij een aanvraag een sociaal-medische noodzaak is voor de gevraagde hulp op maat. Om dit te kunnen beoordelen kan sociaal-medisch advies worden opgevraagd. Bij het opvragen van dit advies kan de onderzoekstermijn worden verlengd. 2.2.4 Het Ondersteuningsplan: het te bereiken resultaat Na het onderzoek wordt er een ondersteuningsplan verstrekt aan de inwoner (of zijn wettelijk vertegenwoordiger). Het ondersteuningsplan bevat: de uitkomsten van het onderzoek: wel of geen ondersteuning. Bij het afgeven van ondersteuning: de afgegeven voorziening(en) en de tijdsduur met lengte van de voorziening; de hiermee te bereiken resultaten; de relevante voorzieningen of ondersteuning die al aanwezig zijn. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner of zijn ouders worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd. 2.2.5 De Beschikking: het voor de inwoner kenbare besluit Het besluit wordt zo snel mogelijk genomen, maar in ieder geval binnen twee weken nadat de ondertekende aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag van een jeugdige en/of zijn ouders dan beslist het college binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. De aanbieder mag niet starten voordat wij een beschikking hebben afgegeven. Wij beschikken niet met terugwerkende kracht. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschort als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt of als de ondertekende aanvraag niet binnen de termijn kan worden behandeld. Daarbij wordt een redelijke termijn genoemd waarbinnen het besluit wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid Awb). Het besluit wordt schriftelijk vastgelegd in een beschikking. In de beschikking staat: de aanvraagdatum; de beslissing; totaalbedrag van de voorziening; de bezwaarprocedure; de leveringsvorm: zorg in natura of persoonsgebonden budget (zie A en B hieronder); of er sprake is van een eigen bijdrage; de motivering van de beslissing en informatie over de uitvoering van het besluit. In artikel 3:46 Awb is vastgelegd dat het besluit op een aanvraag deugdelijk moet worden gemotiveerd. A: zorg in natura (ZIN) Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in ieder geval vermeld: welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt, wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan is; de ingangsdatum en duur van de verstrekking; hoe de maatwerkvoorziening wordt verstrekt; welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. B: persoonsgebonden budget (pgb) Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in ieder geval vermeld: voor welk resultaat het pgb moet worden besteed; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Herindicatie Wanneer de looptijd van een beschikking eindigt, kan er een vervolgbeschikking worden aangevraagd. Bij een verzoek voor een herindicatie wordt er onderzoek gedaan en een evaluatie gehouden. Er wordt geëvalueerd wat een aanbieder heeft gedaan en welke voorziening in het vervolg passend is. Dit gebeurt ook wanneer een verwijzer een andere was dan het BSL. Bij een vervolgindicatie is het mogelijk een verkort aanvraagformulier in te vullen. Dit dient dan als een aanvulling op het bestaande ondersteuningsplan. Wij indiceren niet met terugwerkende kracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel