Leeswijzer artikel 2
2.1 Bestemmingsomschrijving
a. De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - Bouwwerken - Monumentaal' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behouden, versterken en beschermen van de specifieke waarden van de cultuurhistorische waardevolle bouwwerken met een zeer hoge cultuurhistorische waardering zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart,
b. waaronder begrepen:
1. het karakteristieke bouwtype;
2. de bouwstijl, verschijningsvorm, gevelindeling of typerende architectuur van het bouwwerk;
3. de karakteristieke hoofdvorm en massa-opbouw van het bouwwerk;
4. de bijdrage van het bouwwerk aan het omringende cultuurlandschap;
5. de aanwezigheid van authentieke constructies, technieken, details, materialen of kleuren van het bouwwerk;
6. de herkenbaarheid van de oorspronkelijke functionaliteit;
7. de beeldbepalende waarde;
8. de directe omgeving van het bouwwerk;
9. de bijdrage van het bouwwerk aan de ensemblewaarde.
c. waarbij geldt dat deze cultuurhistorische waardevolle bouwwerken de status hebben van gemeentelijk monument overeenkomstig het bepaalde in de gemeentelijke Erfgoedverordening, voor zover niet reeds aangewezen als Rijksmonument of gemeentelijk monument ten tijde van inwerkingtreding van de beheersverordening, met inachtneming van artikel 2.4 Specifieke gebruiksregels en het bepaalde in hoofdstuk 3 en 4 van de planregels.
2.2 Algemene bouwregels
Op de in artikel 2.1 bedoelde gronden mag slechts worden gebouwd, indien wordt voldaan aan artikel 2.3.1 of 2.3.2 en aanvullend artikel 2.3.3.
2.3 Specifieke bouwregels
2.3.1 Bouwen met behoud van cultuurhistorische waarden
Het bevoegd gezag kan overgaan tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk ten behoeve van de primaire bestemming(en) als bedoeld in artikel 7.1, mits:
a. de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven en door de bouwactiviteiten dan wel door de daarvan directe of indirecte te verwachten gevolgen de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind en
b. aanvrager met documentatie het bedoelde onder a gemotiveerd aantoont.
2.3.2 Bouwen met verstoren of vernietigen cultuurhistorische waarden, uitsluitend bij zwaarwegende belangen
Het bevoegd gezag kan uitsluitend overgaan tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk ten behoeve van de primaire bestemming(en) als bedoeld in artikel 7.1, waarvan aangenomen kan worden dat de cultuurhistorische waarden worden verstoord dan wel vernietigd, mits:
a. aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont dat bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de cultuurhistorische waarden worden verstoord dan wel vernietigd;
b. aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont hoe vanuit de cultuurhistorische waarden nieuwe ontwikkelingen worden gerealiseerd, passend binnen de karakteristiek als gebleken uit de cultuurhistorische waardenkaart;
c. voor bijzondere materiële relicten een duurzaam toekomstperspectief ex situ wordt gewaarborgd.
2.3.3 Aanvullende bepalingen
Aanvraag om omgevingsvergunning en de beoordeling daarvan
a. In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 kan het bevoegd gezag aanvrager verzoeken tot het indienen van een bouwhistorisch onderzoek of cultuurhistorisch onderzoek, indien onduidelijkheid bestaat over de cultuurhistorische waarden van een bepaald onderdeel in relatie tot de ontwikkeling.
b. In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning en de beoordeling daarvan de volgende uitgangspunten in acht genomen:
1. behoud, onderhoud en versterken gaan vóór vernieuwen en ontwikkelen;
2. vernieuwen en ontwikkelen geschiedt vanuit en met respect voor de bouwhistorie en/of cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
c. In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 wint het bevoegd gezag hiertoe advies in door een door hen aan te wijzen ter zake deskundige inzake cultuurhistorie.
d. In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 houdt het bevoegd gezag bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning rekening met het gebruik van het cultuurhistorisch waardevol object waarop de aanvraag betrekking heeft.
Verlenen van de omgevingsvergunning
e. In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 wordt bij het verlenen van de omgevingsvergunning in de belangenafweging aangegeven waarom:
1. bijgedragen wordt aan de cultuurhistorische waarden dan wel dat
2. het verantwoord is de cultuurhistorische waarden te verstoren of te vernietigen, waarbij aanvullend wordt gemotiveerd hoe aanvrager vanuit de cultuurhistorische waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die bijdragen aan het behoud of ontwikkeling van de specifieke cultuurhistorische waarden;
f. In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 kunnen voorschriften met het oog op de cultuurhistorische waarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden.
2.4 Specifieke gebruiksregels
2.4.1 Gebruik in overeenstemming met cultuurhistorische waarden
Ingeval van een omgevingsvergunning tot het wijzigen van het gebruik van een bouwwerk in afwijking van de primaire bestemming(en) als bedoeld in artikel 7.1:
a. worden de gronden en of bouwwerken gebruikt op een wijze waardoor de aanwezige cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven en
b. door de gebruiksactiviteiten dan wel door de daarvan directe of indirecte te verwachten gevolgen de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, niet onevenredig worden aangetast.
2.4.2 Aanvullende bepalingen
a. In aanvulling op artikel 2.4.1 wint het bevoegd gezag advies in door een door hen aan te wijzen ter zake deskundige inzake cultuurhistorie voordat het bevoegd gezag overgaat tot het verlenen van de omgevingsvergunning.
b. In aanvulling op artikel 2.4.1 wordt in de belangenafweging bij het verlenen van de omgevingsvergunning aangegeven waarom de omgevingsvergunning bijdraagt aan de cultuurhistorische waarden.
c. In aanvulling op artikel 2.4.1 kunnen voorschriften met het oog op de cultuurhistorische waarden aan de omgevingsvergunning verbonden worden.
2.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
2.5.1 Vergunningsplichtige sloopwerkzaamheden
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de cultuurhistorische waardevolle bouwwerken, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, geheel of gedeeltelijk te slopen.
b. Hierbij geldt dat het aantasten of vernietigen van cultuurhistorische elementen van cultuurhistorische waardevolle objecten gelijk wordt gesteld met het geheel of gedeeltelijk slopen van bouwwerken.
2.5.2 Omgevingsvergunning niet vereist
Het in artikel 2.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden:
a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerking treden van deze beheersverordening;
b. waarvoor ten tijde van het inwerking treden van deze beheersverordening reeds omgevingsvergunning voor het slopen is verleend;
c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor omgevingsvergunning is verleend.
2.5.3 Slopen bij behoud van cultuurhistorische waarden
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5.1 kan worden verleend, mits:
a. de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven en door de sloopactiviteiten dan wel door de daarvan directe of indirecte te verwachten gevolgen de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind en
b. aanvrager met documentatie het bedoelde onder a gemotiveerd aantoont.
2.5.4 Slopen bij verstoren of vernietigen cultuurhistorische waarden, uitsluitend bij zwaarwegende belangen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5.1, waarvan aangenomen kan worden dat de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, worden verstoord dan wel vernietigd, kan uitsluitend worden verleend, mits:
a. aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont waarom bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de te slopen cultuurhistorische waarden in redelijkheid niet te handhaven zijn;
b. aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont hoe vanuit de cultuurhistorische waarden nieuwe ontwikkelingen worden gerealiseerd, passend binnen de karakteristiek als gebleken uit de cultuurhistorische waardenkaart;
c. documentatie plaatsvindt van de te slopen cultuurhistorische waarden;
d. voor bijzondere materiële relicten een duurzaam toekomstperspectief ex situ wordt gewaarborgd.
2.5.5 Aanvullende bepalingen
a. In aanvulling op artikel 2.5.3 of 2.5.4 kan het bevoegd gezag aanvrager verzoeken tot het indienen van een bouwhistorisch onderzoek of cultuurhistorisch onderzoek, indien onduidelijkheid bestaat over de cultuurhistorische waarden van een bepaald onderdeel in relatie tot het slopen.
b. In aanvulling op artikel 2.5.3 of 2.5.4 kunnen voorschriften met het oog op de cultuurhistorische waarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden.
c. In aanvulling op artikel 2.5.3 of 2.5.4 wint het bevoegd gezag hiertoe advies in door een door hen aan te wijzen ter zake deskundige inzake cultuurhistorie.
d. In aanvulling op artikel 2.5.3 of 2.5.4 houdt het bevoegd gezag bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning rekening met het gebruik van het cultuurhistorisch waardevol object waarop de aanvraag betrekking heeft.
Hoofdstuk 2
Artikel 2
Waarde - Cultuurhistorie - Bouwwerken - Monumentaal
Onderdeel van Beheersverordening Cultuurhistorie