Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 6

- Hoogte van de boete en afronding

Onderdeel van Beleidsregels Handhaving, Participatiewet, IOAW,IOAZ en Bbz 2021

1.. De bestuurlijke boete wordt nooit hoger vastgesteld dan de maximumboete, zoals die zou kunnen worden opgelegd op grond van artikel 23, vierde lid Wetboek van Strafrecht (Hierna: Sr). 2.. De bepalingen omtrent de hoogte van de bestuurlijke boete worden in acht genomen.4 Zoals genoemd in artikelen 18a Participatiewet, 20a van de IOAW, artikel 20a van de IOAZ en artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten 3.. Onverminderd artikel 18a Participatiewet, artikel 20a IOAW en artikel 20a IOAZ, dient de bestuurlijke boete te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 5:46 lid 2 Awb. 4.. De bepalingen omtrent verminderde verwijtbaarheidssituaties worden in acht genomen.5 Zoals genoemd in artikel 2, lid 5, en 2a, lid 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten. 5.. De hoogte van de boete wordt verlaagd in geval de periode tussen het vaststellen van het (eventuele) boetewaardige gedrag en de boeteoplegging langer duurt dan een half jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel