Naar hoofdinhoud
1.. Het college zorgt ervoor dat het voldoende zicht heeft op de voortgang van het voldoen aan de inburgeringsplicht door de inburgeringsplichtige en voert hiertoe periodiek voortgangsgesprekken met inburgeringsplichtige zolang het inburgeringstraject loopt. 2.. Het college wint bij de organisaties die bij het inburgeringtraject zijn betrokken informatie in die relevant zijn om zicht te houden op de in het eerste lid bedoelde voortgang. 3.. Tijdens het voortgangsgesprek komen onder andere de afspraken uit het PIP en participatie aan bod. Met de inburgeringsplichtige wordt besproken of de onderdelen nog aansluiten bij de capaciteiten, de behoeften en de persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Het gaat daarbij in elk geval om: de afgesproken leerroute; de ondersteuning en begeleiding tijdens het inburgeringstraject; de intensiteit van de verschillende onderdelen van het traject; de participatie-activiteiten; en de vorderingen en inzet van de inburgeringsplichtige. 4.. De frequentie van de voortgangsgesprekken wordt vastgesteld op basis van de uitkomsten van de brede intake en afgestemd op de inburgeringsplichtige, met dien verstande dat in het eerste jaar minimaal twee voortgangsgesprekken plaatsvinden. 5.. Het college neemt de frequentie van de voortgangsgesprekken op in het PIP. 6.. Het college vermeldt in de uitnodigingsbrief: wat het voortgangsgesprek inhoudt; waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor het voortgangsgesprek moet verschijnen; wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet voor het voortgangsgesprek verschijnt. 7.. Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en het voortgangsgesprek liggen minimaal vijf werkdagen. 8.. Het college doet verslag van het voortgangsgesprek en stelt dat zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de inburgeringsplichtige. 9.. Als het voortgangsgesprek daartoe aanleiding geeft kan het PIP geheel of op onderdelen worden aangepast, dat dan in een nieuwe beschikking moet worden vastgelegd.

Rechtspraak bij dit artikel