Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11

Artikel 11.1

toetsing vergunningaanvragen en concreet zicht op legalisatie

Onderdeel van Integraal toezicht- en handhavingsbeleid 2021-2023

Op grond van artikel 7.2 lid 6 sub c en d van het Bor moet het handhavingsbeleid ook inzicht geven over de daarin opgenomen objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen voor en beslissen over een omgevingsvergunning, het afhandelen van meldingen en de werkwijze bij vergunningverlening en het afhandelen van meldingen. In enkele gevallen heeft de vergunningverlening gevolgen voor de handhaving, bijvoorbeeld als uit een handhavingsprocedure blijkt dat de overtreding gelegaliseerd kan worden door middel van een omgevingsvergunning. Andersom kan het ook zo zijn dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd, maar mensen toch besluiten het project illegaal uit te voeren. In dat geval wordt handhavend opgetreden. Een aanvraag om omgevingsvergunning wordt getoetst aan het bestemmingsplan. Als de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan, wordt de aanvraag geacht ook een aanvraag in te houden om van het bestemmingsplan te mogen afwijken (artikel 2.10, tweede lid, Wabo). Er volgt dan een ‘drietrapsraket’ om te beoordelen of alsnog medewerking aan de aanvraag kan worden verleend. Eerst wordt de aanvraag getoetst aan de afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan zelf biedt. Dit zijn de zogenaamde ‘binnenplanse afwijkingsmogelijkheden’. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid om 10% afwijking toe te staan op de in het bestemmingsplan voorgeschreven maatvoering. Deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheden bieden beleidsruimte. Ter invulling van deze beleidsruimte is geen beleidsregel vastgesteld. Vaak gaat het relatief gezien om wat kleinere afwijkingsmogelijkheden. Als deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheden geen mogelijkheid bieden om medewerking te verlenen aan de aanvraag, volgt de tweede stap. De tweede stap is dat de aanvraag wordt getoetst aan de afwijkingsmogelijkheden die in de wet zijn opgenomen (artikel 4 bijlage II Besluit Omgevingsrecht, hierna: het BOR). Ook deze buitenplanse afwijkingsmogelijkheden bieden beleidsruimte. Uit oogpunt van rechtszekerheid en het voorkomen van willekeur is ter invulling van deze beleidsruimte een beleidsregel opgesteld. Deze beleidsregel is de ‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo houdende Beleidsregels artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo’. Deze beleidsregel wordt in de praktijk ook aangeduid als het kruimelgevallenbeleid. Procedureel gezien is op aanvragen omgevingsvergunning met een binnenplanse of buitenplanse afwijkingsmogelijkheid de reguliere procedure van toepassing. Dit betekent dat de beslistermijn 8 weken bedraagt met een verdagingsmogelijkheid van 6 weken. Als ook deze buitenplanse afwijkingsmogelijkheden geen uitkomst bieden om medewerking te verlenen, volgt de derde en laatste stap. In dat geval kan alsnog, mits de aanvrager een goede ruimtelijke onderbouwing heeft opgesteld, medewerking aan de aanvraag worden verleend. In beginsel is voor deze aanvragen een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig. De raad kan een lijst met categorieën van gevallen vaststellen, waarin deze verklaring niet nodig is. Procedureel gezien is op de aanvraag omgevingsvergunning met een goede ruimtelijke onderbouwing de uitgebreide procedure van toepassing. Dit betekent dat de beslistermijn 26 weken bedraagt met een verdagingsmogelijkheid van 6 weken. In deze periode dient het ontwerp besluit 6 weken ter inzage te worden gelegd, met de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12, vijfde lid, Wabo). De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in vaste jurisprudentie de volgende beginselplicht tot handhaving geformuleerd: “Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien”. Volgens deze jurisprudentie dient altijd een legalisatie onderzoek plaats te vinden. De vraag of er concreet zicht is op legalisatie is afhankelijk van welke legalisatiebevoegdheid het betreft en welke wetgeving wordt gehandhaafd. Voor zover het gaat om bouwen en ruimtelijke ordening zijn de hoofdregels uit de jurisprudentie als volgt: er is een (ontvankelijke) aanvraag omgevingsvergunning ingediend (ECLI:NL:RVS:2018:2735); als er een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend en de reguliere procedure is van toepassing (de binnenplanse of buitenplanse afwijkingsmogelijkheden), dan is voldoende als het college de bereidheid heeft uitgesproken om medewerking te verlenen aan de gevraagde vergunning (principe besluit tot medewerking); als er een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend en de uitgebreide procedure is van toepassing, dan moet er ten minste een ontwerp omgevingsvergunning ter inzage zijn gelegd waar de illegale bebouwing en/of het illegale gebruik gelegaliseerd wordt (ECLI:NL:RVS:2016:594); bij illegaal gebruik is er ook sprake van concreet zicht op legalisatie als er een ontwerp bestemmingsplan ter inzage ligt waarin de overtreding gelegaliseerd wordt (ECLI:NL:RVS:2016:1267). Daarnaast wordt ook beoordeeld of de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een toets aan het Bouwbesluit en/of Bouwverordening is voor de beoordeling of er sprake is van concreet zicht op legalisatie niet vereist. Dit aspect wordt bij de behandeling van de aanvraag vergunning verder onderzocht en getoetst. De jurisprudentie kent nog een aantal nuanceringen, die hier verder niet benoemd worden omdat dit te ver voert voor dit beleidsstuk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel