Naar hoofdinhoud
Voor individuele bijzondere bijstand komt in aanmerking de belanghebbende met: een minimuminkomen en een bescheiden vermogen, of een inkomen boven het minimuminkomen en bescheiden vermogen voor zover de kosten zijn draagkracht te boven gaan. Voor de draagkracht bij bijzondere bijstand wordt meegenomen, tenzij hiervan in deze beleidsregels uitdrukkelijk wordt afgeweken: 30% van het inkomen boven het minimuminkomen, en het volledige vermogen boven het bescheiden vermogen. Bij de berekening van de draagkracht wordt de eventuele individuele inkomenstoeslag van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. De draagkracht wordt op nihil gesteld: Als er sprake is van een minnelijke schuldenregeling waarbij de afloscapaciteit , berekend conform de ReCoFa-methode voor de schuldeisers reeds gereserveerd of afbetaald wordt; of gedurende een WSNP-traject. De draagkracht wordt berekend voor een periode van maximaal vierentwintig maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste kosten zijn gemaakt. Bij een wisselend inkomen wordt de draagkracht berekend aan de hand van het gemiddelde inkomen, berekend over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de eerste kosten zijn gemaakt. In afwijking van het vijfde lid wordt voor belanghebbenden, die de AOW leeftijd hebben de draagkracht eenmalig vastgesteld, onder de voorwaarde dat deze personen wijzigingen in het inkomen en vermogen doorgeven. Periodieke bijzondere bijstand wordt toegekend voor een periode van maximaal 12 maanden. De berekende jaardraagkracht wordt volledig aangewend. Indien de bijstand voor eenmalige kosten in de vorm van leenbijstand wordt verleend komt de draagkracht tot uitdrukking in de hoogte van het aflossingsbedrag. Bij een ingrijpende wijziging in de vastgestelde financiële situatie tijdens een draagkracht-periode wordt de vastgestelde draagkracht uit inkomen of vermogen herberekend en getoetst aan het eerste en tweede lid. Indien niet meer wordt voldaan aan deze criteria wordt het recht ingetrokken en beëindigd. Het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte, in verband met vrijwillige aflossing van schulden, wordt niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, op grond waarvan bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de goed-koopst mogelijke adequate voorziening.

Rechtspraak bij dit artikel