Het college houdt bij het bepalen van de vervoersbehoefte rekening met navolgende aspecten:
Verplaatsingsgedrag
Bij het onderzoek naar de goedkoopst passende bijdrage is het noodzakelijk de vervoersbehoefte van de cliënt vast te stellen. Deze behoefte wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken:
verplaatsingsgedrag; en
het verplaatsingsmotief (waarom); en
de verplaatsingsbestemming (waarheen).
Het verplaatsingsmotief en de verplaatsingsbestemming
De ondersteuningsplicht voor vervoer is in beginsel gericht op “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving”. Het gaat om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele of religieuze instellingen. Bestaat er geen aanspraak op medisch vervoer, dan valt het vervoer in verband met therapie, het bezoeken van medische behandelaars of ziekenhuisbezoek hier ook onder.
Recreatieve bestemmingen
Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op
recreatie en ontspanning, wordt niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een Wlz-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen.
Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto
Het hanteren van het primaat van de collectieve vervoersvoorziening is ook toegestaan bij progressieve aandoeningen. Het kan in voorkomende gevallen aannemelijk zijn dat een
autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel passend zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging heeft betrekking op het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage).
Bewoners Wlz-instelling
Bewoners van een Wlz-instelling zullen in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan
zelfstandig wonenden. Soms zijn er in het complex voorzieningen, zoals een winkel, kapper en recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten ondergebracht of in de dichte nabijheid gerealiseerd. Bovendien vervallen vaak een aantal bestemmingen in de directe leefomgeving omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereiden, ook worden gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is vanuit de Wlz-instellinggeorganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen rekening gehouden.
Hoofdstuk
Artikel 8.3
Vervoersbehoefte cliënt
Onderdeel van Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Bergen (L) 2022