(Art. 3.10 Verordening)
Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren.
Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen, lichaamsreiniging, essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, aan- en uitkleden en het wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind. Voor een kind is spelen zonder gevaar voor de eigen gezondheid ook een elementaire woonfunctie.
Problemen die een persoon met beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte moeten door de verstrekking van woonvoorzieningen worden opgelost. Het streven zal in beginsel erop gericht zijn de problemen geheel weg te nemen of aanzienlijk te verminderen. Om verschillende redenen zal dat niet altijd zo kunnen zijn. Die redenen kunnen gelegen zijn in de persoon met beperkingen, dan wel in de aard van de woonruimte.
Het is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om passende maatregelen te nemen behorend bij de levensfase en te verwachten beperkingen. Een woningaanpassing, of ondersteuning bij het vinden van een geschikte woning, wordt in het kader van de Wmo daarom in beginsel alleen verleend als het ontstaan van de beperkingen, verminderde zelfredzaamheid en participatie problemen het gevolg zijn van onvoorziene en onverwachte omstandigheden.
Voor specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen zijn voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige extra kosten kunnen worden meegenomen uitgesloten.
De gemeente is niet gehouden voorzieningen te verstrekken als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, dan wel het gevolg zijn van het feit dat de woning niet voldoet aan de op dat gebied geldende wettelijke voorschriften
Een woonvoorziening wordt verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning.
Uitzondering op lid 7 vormt de uitraaskamer. Als belanghebbende gedragsproblemen heeft en een afgesloten ruimte (uitraaskamer) nodig heeft waarin hij zich kan afzonderen of tot rust kan komen. De uitraaskamer is bedoeld om de belanghebbende tegen zichzelf te beschermen. Alsmede om de ouders/ verzorgers in staat te stellen beter toezicht uit te oefenen. De criteria voor vergoeding van een uitraaskamer zijn:
betrokkene beschadigt zichzelf (zelfverwonding) en, of;
betrokkene beschadigt de omgeving (vernielzucht) en, of;
er is sprake van ongecontroleerde driftbuien of overmatige apathie.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.7
Woonvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2022