(Art. 3.4 en art. 3.9 Verordening)
Het zich kunnen verplaatsen in de directe woon- of leefomgeving is van belang bij zelfstandige maatschappelijke participatie. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate zelfstandig kan functioneren in zijn woning, mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Hiervoor is het een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.
Om voor een vervoersvoorziening in aanmerking te komen zal het college bij het onderzoek allereerst beoordelen of het verplaatsingsprobleem op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen opgelost kan worden. Lukt dit niet, dan biedt het college een hulpmiddel (of pgb) in de vorm van een rolstoel of een vervoersvoorziening.
Voorliggende oplossingen zijn andere wet- en regelgevingen, oplossingen die belanghebbende zelf zonder meerkosten kan bewerkstelligen zoals algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarvan in ieder geval het openbaar vervoer. Van verwijzing naar andere wet en regelgeving kan sprake zijn als (een deel van) de vervoersbehoefte geen betrekking heeft op sociaal vervoer. Voorbeelden hiervan zijn woon-werk verkeer en vervoer van en naar school (leerlingenvervoer) of vervoer naar dagbesteding (Wlz of Wmo). Als na de weging van voorliggende oplossingen een sociale vervoersbehoefte resteert waarin niet wordt voorzien dan biedt het college hiervoor compensatie door het verstrekken van de goedkoopst adequate voorziening.
Om de vervoersbehoefte van belanghebbende te bepalen gaat het er niet om hoe vaak de belanghebbende een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen om voldoende te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. De vervoersondersteuning moet leiden tot aanvaardbare maatschappelijke participatie. Dit houdt in dat een belanghebbende moet kunnen deelnemen aan het leven van alledag en de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten moet kunnen onderhouden. Indien hierbij beperkingen worden ondervonden dienen deze beperkingen te worden verminderd om een sociaal isolement te voorkomen.
Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoersmogelijkheid aangeboden. Immers ook een persoon zonder beperkingen moet vervoerskosten maken. De bijdrage beperkt zich tot het verplaatsen in de eigen woon- en leefomgeving.
De eigen woon- of leefomgeving is de buurt, wijk of het stadsdeel waarin een persoon met beperkingen woont. Sociale bestemmingen, buiten het eigen wijk- of stadsdeel, maar binnen de eigen woonplaats, kunnen ook in de directe woon- of leefomgeving vallen als bestemmingen dichterbij niet voorkomen en voor belanghebbende aantoonbaar van belang zijn voor het leven van alledag.
Er wordt enkel gecompenseerd voor het lokaal verplaatsen. Dat betreft verplaatsingen in een straal tot 25 kilometer rond de woning tot maximaal 2000 kilometer per jaar. De maximale omvang van 2000 kilometer per jaar kan ook bereikt worden met meerdere vervoersvoorzieningen gezamenlijk.
Bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte wordt gekeken naar vervoersdoelen, de hiervoor af te leggen afstanden en de frequentie waarin ze worden bezocht. Deze aspecten zijn van belang enerzijds om te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte in relatie staat tot sociale participatie en op grond daarvan al dan niet onder de Wmo valt; anderzijds om te bepalen welke vervoersvoorziening de goedkoopst adequate en meest proportionele voorziening is.
Wanneer er een grotere vervoersbehoefte is dan 2000 kilometer per jaar, is het aan de belanghebbende om dit met concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen. Als het van essentieel belang is voor de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de belanghebbende, er geen andere oplossingen beschikbaar zijn en de grotere vervoersbehoefte door de belanghebbende is aangetoond, dient het college meer kilometers per jaar toe te wijzen.
Bij het vaststellen van de voorziening, wordt gekeken naar de mogelijkheid van de belanghebbende om van de beoogde voorziening op een verantwoorde wijze gebruik te maken. Problemen in bijvoorbeeld de waarneming en/of de motoriek kunnen dusdanig van invloed zijn op de rijgeschiktheid, dat toekenning van een voorziening niet verantwoord is.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.8
Vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2022