Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.2

Uitgangspunten bij het toekennen van een voorziening

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Beverwijk 2022

Wanneer de ondersteuningsbehoefte van de inwoner niet of slechts ten dele kan worden opgelost op eigen kracht, via het sociale netwerk of via algemene voorzieningen, wordt ondersteuning vanuit de Wmo geboden. Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt er uitgegaan van de behoeften en persoonskenmerken van de inwoner, en niet van de voorzieningen die de gemeente verstrekt. Dit wordt bereikt door een zorgvuldig onderzoek naar de persoonlijke situatie van de cliënt te doen. Vervolgens wordt er gezocht naar de goedkoopst adequate oplossing voor het probleem (paragraaf 1.2.1). Een voorziening die geboden wordt, mag bovendien niet algemeen gebruikelijk zijn (paragraaf 1.2.3), en moet wel langdurig noodzakelijk zijn (paragraaf 1.2.2). Ook is een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening niet mogelijk. Er moet altijd één aanvrager zijn die de voorziening aanvraagt. De hulpvrager die bijvoorbeeld een vervoersvoorziening nodig heeft, kan die voorziening alleen voor zichzelf aanvragen. 1.2.1Goedkoopst adequaat In beginsel betekent goedkoopst adequaat dat de voorziening passend moet zijn. Uit de alternatieven die als adequaat worden bestempeld, kan de gemeente de goedkoopste oplossing kiezen. Het begrip goedkoopst adequaat laat ruimte voor een afweging van de specifieke omstandig¬heden van de aanvrager. Uiteindelijk bepaalt immers de situatie van de aanvrager, zoals beoordeeld door de gemeente, wat in zijn omstandigheden passend is. Uitgangspunt is, dat van de mogelijke adequaatste oplossingen, de goedkoopste oplossing wordt gekozen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten wordt bepaald. Zo kan mogelijk een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, mag het duidelijk zijn dat bij een verantwoord niveau dient te worden aangesloten. Het is mogelijk een ondersteunende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. 1.2.2Langdurig noodzakelijk Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat in beginsel wordt uitgegaan van een periode langer dan zes maanden dat de beperking aanhoudt. De staat van de medische toestand is op het moment van aanvraag onomkeerbaar en de cliënt is daardoor voor langere tijd aangewezen op de betreffende maatwerkvoorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkt is, dus korter dan zes maanden, niet voor een voorziening in aanmerking komt. De cliënt kan in dit geval een beroep doen op de thuiszorgwinkel voor maximaal zes maanden. Soms komt het voor dat een cliënt als gevolg van een ernstig ongeval een lange revalidatie doormaakt maar uiteindelijk toch weer (nagenoeg) geheel zal herstellen. Als de herstelperiode bijvoorbeeld twee jaar zou zijn, dan moet het college toch een voorziening treffen. In afwijking op het gestelde kunnen hulp bij het huishouden, ambulante begeleiding en dagbesteding wel voor een korte duur worden geïndiceerd. De minimale indicatietermijn is zes weken. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Bij een wisselend beeld, waarbij verbeteringen en situaties van terugval elkaar opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. 1.2.3Algemeen gebruikelijk Het college dient voor iedere specifieke aanvrager te beoordelen of een voorziening algemeen gebruikelijk is. Om te beoordelen of iets voor een cliënt algemeen gebruikelijk is dient een onderzoek uitgevoerd te worden. In de praktijk zijn een aantal voorbeelden te benoemen die in veel voorkomende gevallen als algemeen gebruikelijk kunnen worden gedefinieerd. Let op, per situatie moet gemotiveerd worden of iets algemeen gebruikelijk is. Voorbeelden De aanwezigheid van een centrale verwarming of een tweede trapleuning kan doorgaans als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden niet vanuit de Wmo verstrekt. Indien er sprake is van het aanbrengen van een verwarming zien we dit in beginsel als het aanpassen van de woning aan de eisen van de tijd, hetgeen buiten de Wmo valt. Op vervoersgebied kan men als voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen noemen: de e-bike en een fiets met lage instap. Op het gebied van de woningaanpassingen kan worden gedacht aan: thermostaatkranen, éénhendelmengkranen, verhoogd toilet en douche- en toiletbeugels. Zie hoofdstuk 5 voor meer voorbeelden van voorzieningen die algemeen gebruikelijk kunnen zijn. Uit de jurisprudentie volgt dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Toelichting op het laatste criterium: Het college moet toetsen of de voorziening financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of de betreffende cliënt zelf een minimuminkomen heeft. Een minimuminkomen is volgens de CRvB bijstandsniveau. Om te weten of de voorziening financieel gedragen kan worden door iemand op bijstandsniveau, moeten we een bedrag berekenen. Hiervoor sluiten we aan bij de rekensom uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2021:2084): Als iemand op basis van 5% van de bijstandsnorm die voor de cliënt geldt de voorziening binnen 36 maanden kan terugbetalen, is de voorziening financieel te dragen. Dus: 5% x van toepassing zijnde bijstandsnorm x 36 maanden = het bedrag waarmee we de kosten van de voorziening vergelijken. Het college kijkt dus niet óf de cliënt het binnen 36 maanden kan terugbetalen. Het kijkt alleen naar het bedrag dat uit de rekensom komt. En het college mag ook rekening houden met beschikbare tweedehands voorzieningen. 1.2.4Samenhang met andere wet- of regelgeving Indien een inwoner aanspraak heeft op een voorziening op basis van andere wet- of regelgeving (bijv. de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw), dan wordt van die inwoner verwacht dat hij daar gebruik van maakt. Door gebruik te maken van de aanspraak op de andere wet- of regelgeving, lost de inwoner op eigen kracht zijn probleem op. Wel moet worden onderzocht of die voorziening voldoende compenserend is. Als dat het geval is, dan is dat een afwijzingsgrond om niet vanuit de Wmo een voorziening te verstrekken. Mocht de voorziening uit andere wet- of regelgeving niet volledig compenseren, dan kan alsnog aanvullende ondersteuning vanuit de Wmo worden toegekend. Voorbeelden van samenhang tussen Wmo en andere wetgeving zijn: Arbeidsvoorzieningen op grond van Ziektewet (ZW), WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), Wajong, Wet Sociale Voorziening (Wsw) en Participatiewet (Pw): het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan dagbesteding vanuit de Wmo kan worden overwogen. Wlz of Zvw voor behandeling: alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Dit kan enkel worden bepaald door een medisch adviseur. Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Begeleiding en behandeling kunnen ook tegelijkertijd worden ingezet. Begeleiding kan dan worden ingezet om de tijdens de behandeling geleerde vaardigheden te oefenen. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden. Wlz: indien er permanent toezicht nodig is of 24-uurszorg in de nabijheid noodzakelijk wordt geacht, komt cliënt in aanmerking voor Wlz. Zodra de cliënt een Wlz-indicatie toegekend heeft gekregen, is dit altijd voorliggend op de Zvw en Wmo. Er is dan geen indicatie hulp bij het huishouden en begeleiding/dagbesteding uit de Wmo mogelijk. Let op: een eventuele tijdelijke overbrugging is wel mogelijk. Voor begeleiding/dagbesteding en hulp bij het huishouden kan ter overbrugging een indicatie voor zes maanden worden toegekend. Dit zodat de cliënt in de gelegenheid wordt gesteld de ondersteuning aan te vragen bij de Wlz. Passend onderwijs: op basis van de wet passend onderwijs zijn scholen ervoor verantwoordelijk alle leerlingen (dus ook leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben op het gebied van leren, gedrag of fysieke mogelijkheden) een passende onderwijsplek en ondersteuning te bieden. Soms is het nodig om daarnaast begeleiding vanuit de Jeugdwet of Wmo te indiceren.

Rechtspraak bij dit artikel