**1..** Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 trekt het college de vergunning in, indien:
door de vergunninghouder daarom is verzocht;
de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog of anderszins in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden;
bij overlijden van de vergunninghouder;
indien het college een besluit als bedoeld in artikel 4:5 heeft genomen om de standplaatslocatie op te heffen.
**2..** Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan het college de vergunning intrekken:
indien de vergunninghouder niet of niet tijdig de (financiële) rechten voldoet;
indien de vergunninghouder niet eenmaal in de 2 weken van de vergunning gebruik maakt, met uitzondering van een gebruikelijke vakantieperiode;
indien niet wordt voldaan aan de vereisten gesteld in de Warenwet of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer op grond van de Wet Milieubeheer.
Bij overlijden van de vergunninghouder en de vergunning niet binnen één maand na het overlijden kan worden overgeschreven op een familielid, werknemer of mede eigenaar van het bedrijf.
Bij arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder en de vergunning niet binnen één maand na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid kan worden overgeschreven op een familielid, werknemer of mede eigenaar van het bedrijf.
op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.
Hoofdstuk 4. › Afdeling 2.
Artikel 4:4
Intrekken standplaatsvergunning
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Openbare Orde & Veiligheid Gemeente Horst aan de Maas