• Aan de bouw van een zonnepark gronden die zijn voorzien van de agrarische bestemming in het geldende bestemmingsplan Buitengebied wordt geen medewerking verleend, tenzij:
o de gronden vanuit landbouwkundig oogpunt niet geschikt zijn voor agrarisch gebruik binnen een modern agrarisch bedrijf,
o dan wel het project een tijdelijk karakter (maximaal 25 jaar, zie paragraaf 2.12) heeft en na beëindiging van het gebruik van de gronden voor het zonnepark weer in oorspronkelijke landbouwkundige staat wordt hersteld.
Bij het principeverzoek (zie hoofdstuk 3) moet de landbouwkundige ongeschiktheid en/of tijdelijkheid onderbouwd worden.
• Met de term ‘modern’ agrarisch bedrijf wordt in deze beleidsnotitie bedoeld dat het betreffende kavel dat voor het zonnepark wordt gebruikt vanwege zijn vorm en/of ligging binnen de bedrijfsvoering minder geschikt is. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd dat op kleine landbouwkavels en op zogenaamde ‘overhoekjes’ ook mogelijkheden ontstaan om een zonnepark te realiseren. Zogenaamde ‘onvoordelige’ kavels zijn vanuit het oogpunt van agrarisch gebruik in principe geschikt als landbouwgrond, maar door deze toevoeging kan toch worden geoordeeld dat het agrarisch minder geschikte gronden betreft.
• In het geldende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Veere wordt voor sommige ontwikkelingen de voorwaarde van een ‘volwaardig agrarisch bedrijf’ gesteld. Artikel 1.97 van de planregels geeft hiervoor een definitie. Omdat een zonnepark ook bij niet-volwaardige agrarische bedrijven ruimtelijk passend kan zijn, wordt deze voorwaarde in dit beleid nadrukkelijk niet gesteld.
• Over het criterium ‘niet geschikt voor agrarisch gebruik binnen een modern agrarisch bedrijf’ vraagt de gemeente voorafgaand aan het verlenen van de vergunning voor het zonnepark advies bij de onafhankelijke Agrarische Adviescommissie Zeeland (AAZ).