In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (zie respectievelijk de tabellen 3.7 en 3.6 van de rapportage van de bodemkwaliteitskaart66Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen, documentcode:16M1158.RAP001, Lievense Milieu B.V. | WSP, november 2020.). Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader, en dus wanneer
de betreffende partij grond van een locatie afkomstig is van buiten het bodembeheergebied;
de betreffende partij grond afkomstig is vanaf gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaart niet hebben geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond;
het baggerspecie betreft.
In sommige bovengrondzones leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing."
Daarom verruimen de gemeenten de regels voor de tijdelijke opslag van grond. Een partij grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten (zie § 4.2) die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie § 4.3) op een bepaalde locatie mag worden toepast, mag ook, voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk worden opgeslagen (LMW9).
De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten (zie § 4.2; LMW9) is gelijk aan de in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.3
Artikel 4.3.10
Lokale Maximale Waarden tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen (alle gemeenten; LMW9)
Onderdeel van Nota Bodembeheer