**1..** Het college kiest op basis van een verzoek een oplaadlocatie voor het realiseren van een oplaadobject. Het college toetst het verzoek daarbij aan de criteria in bijlage 2 ‘Eisen en criteria locatiebepaling laadpalen’, en aan de hieronder vermelde criteria.
**2..** Het college reserveert geen parkeervakken indien er binnen een loopafstand van 250 meter van de voorgestelde locatie reeds voldoende laadinfrastructuur aanwezig is, en waarvan de bezettingsgraad het gebruik door de indiener toelaat, of op de planning staat aangelegd te worden. In overleg met de beheerder wordt deze afstand desgewenst verlaagd tot 200 meter.
**3..** Het college keurt een verzoek goed of af, of wijst een andere locatie aan, rekening houdend met:
de aanwezigheid van geschikte parkeervakken binnen de onder punt 1 genoemde loopafstand;
de lokale verkeerssituatie en het effect op de verkeersveiligheid;
de ligging en afmetingen van de parkeervakken;
de mogelijkheid om vanuit twee naast elkaar liggende parkeervakken te kunnen opladen;
de parkeerdruk;
het effect van een oplaadlocatie op het straatbeeld;
de aanwezigheid van een laagspanningskabel in de nabijheid van het parkeervak;
een op de planning staande herinrichting of herontwikkeling van het gebied; of
de vindbaarheid en toegankelijkheid van de oplaadlocatie.
**4..** De gemeente moet wegbeheerder zijn en de ondergrond moet eigendom zijn van de gemeente. In elk ander geval kan het college geen verkeersbesluit nemen.
**5..** Het college trekt een verkeersbesluit in:
als er in de praktijk niet of nauwelijks gebruik wordt gemaakt van het oplaadpunt;
de beheerder zich niet houdt aan de verantwoordelijkheden of andere voor hem zijnde bepalingen die vermeld zijn in deze beleidsregel of overeenkomst.
**6..** Het college kan afwijken van het bepaalde in dit artikel als ze dat in het belang acht van de ontwikkeling van een laadnetwerk, of het garanderen van de beschikbaarheid van een laadpunt.
Artikel 5