De wijze van invorderen van de geldswaarde van de ten onrechte genoten individuele maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten PGB (Artikel 23, lid 3) vindt plaats conform artikel 4:92 van de Awb.
De vastgestelde (gehele of gedeeltelijke) geldwaarde, zoals medegedeeld in het betalingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.
De termijn waarbinnen de betalingsverplichting moet plaatsvinden is, conform de Awb, in principe zes weken. Hiervan kan afgeweken worden als, op basis van de vastgestelde betalingscapaciteit conform lid 4 of voorstel van de belanghebbende conform lid 5, een betalingsregeling is afgesproken.
De betalingscapaciteit in het inkomen is gelijk aan het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet overschrijdt.
Elk voorstel van de belanghebbende, waarbij het totaal bedrag van de vordering binnen een termijn van 36 maanden betaald wordt, wordt geaccepteerd.
Voor zover de belanghebbende beschikt over activa, die nauw samenhangen met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van deze activa.
Voor zover de belanghebbende beschikt over vermogen (waaronder wordt verstaan alle aan de belanghebbende in eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en vermogensrechten) dat nauw samenhangt met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van het vermogen voor zover het vermogen na aftrek van alle schulden, uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,- te boven gaat.
Bij de vaststelling van de betalingsverplichting, de betalingscapaciteit in het inkomen, en terugvordering van activa en vermogen wordt rekening gehouden met de bijzondere, financiële en persoonlijke omstandigheden van belanghebbende.