Bij het toekennen van nummeraanduidingen gelden de volgende uitgangspunten, tenzij dat niet logisch is gelet op de bestaande situatie:
Logische nummeropeenvolging met eventueel toevoeging van letter op de positie van de huisletter;
Nummering vanuit het centrum van Doesburg (Toren van de Martinikerk) oplopend, oneven nummers links, even nummers rechts. In voorkomende situaties wordt daarvan afgeweken bijvoorbeeld bij doodlopende wegen of vanwege de ligging t.o.v. hoofdverbinding;
De letters “I” en “O” worden niet gebruikt als huisletter of huisnummertoevoeging omdat deze als een “één” of “nul” gelezen kunnen worden. Ook de “Q” wordt niet gebruikt;
Als nummers worden toegevoegd wordt de volgende volgorde van voorkeur gehanteerd:
Het doorzetten van bestaande nummering en het invoegen van nog niet gebruikte nummers. Dit is de meest gewenste methode. Gebruikmakend van de standaardsystematiek wordt doorgenummerd of tussengevoegd vanuit de bestaande nummers;
Tussenvoegen van nummers ingeval van laagbouw gebeurt door het toevoegen van huisletters aan bestaande huisnummers. Bij het tussenvoegen van nummers tussen opeenvolgende bestaande nummers wordt aan het laagste van die nummers een letter toegevoegd;
Tussenvoegen van nummers in geval van hoogbouw vindt plaats door per verdieping een aparte nummerreeks te hanteren. Deze nummerreeksen zijn als volgt opgebouwd:
Eerst volgt het huisnummer van het complex;
Dan volgt op de positie van de huisnummertoevoeging een letter-cijfer combinatie. De letter geeft hierbij aan op welke bouwlaag een object is gelegen. Het cijfer dient als volgnummer van het object op de betreffende bouwlaag.
Voorbeeld: een appartementencomplex heeft drie bouwlagen met 6 woningen per bouwlaag.
Begane grond: 40 A1 tot en met 40 A6
1e verdieping: 40 B1 tot en met 40 B6
2e verdieping: 40 C1 tot en met 40 C6.
Artikel 7.
Criteria wijze van nummeren
Onderdeel van Nadere regels naamgeving en nummering (adressen) gemeente Doesburg