Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 2

Artikel 8

Aflossingsvoorwaarden geldlening

Onderdeel van Beleidsregels terugvordering, boete, verhaal en zekerheidsrechten 2013

1.. Aflossing van de geldlening vindt plaats in ten hoogste tien jaar. 2.. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats. 3.. Het maandelijkse aflossingsbedrag wordt in beginsel telkens voor een periode van één jaar vastgesteld. Indien niet opnieuw een maandelijks aflossingsbedrag voor een periode van een jaar wordt vastgesteld, blijft het bestaande maandelijkse aflossingsbedrag van toepassing. 4.. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Wet werk en bijstand dat niet uitgaat boven de van toepassing de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragrafen 3.2 en 3.3 van genoemde wet. wordt geen aflossing gevergd. 5.. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, stelt het college het maandelijkse aflossingsbedrag voor een langere periode dan een jaar vast, dan wel wordt zo nodig tussentijds het maandelijkse aflossingsbedrag lager of hoger vastgesteld. 6.. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het voorgaande lid kan rekening worden gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze kunnen in mindering worden gebracht op het inkomen. 7.. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar verwijtbaar-nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgelaste deel van de geldlening direct opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Rechtspraak bij dit artikel