Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.6.

Intrekkingsgronden

Onderdeel van Verordening kansspelautomaten en speelautomatenhallen Amsterdam

1.. De burgemeester trekt de vergunning in indien: de gegevens die met het oog op het verkrijgen van de vergunning zijn verstrekt zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 30d, vierde lid, onder a, van de Wet op de kansspelen gestelde eisen. 2.. De burgemeester kan de vergunning intrekken indien: de vergunninghouder niet voldoet aan een aan de vergunning verbonden voorschrift of beperking; de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is verleend zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, onder a; de vergunninghouder niet voldoet aan artikel 3.7, 3.8 of 3.9; de vergunninghouder niet voldoet aan een bij of krachtens titel VA van de Wet op de kansspelen gestelde bepaling; of de vergunninghouder gedurende een periode van ten minste twaalf maanden geen gebruik van de vergunning heeft gemaakt; of de exploitatie van de speelautomatenhal in strijd is met het geldende bestemmingsplan en die strijdigheid niet zal worden opgeheven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel