Naar hoofdinhoud
1.. Het college voert een onderzoek uit naar aanleiding van de melding. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij sprake is van de situatie bedoeld in het vijfde lid. 2.. Het college of de andere organisatie informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 3.. Het college of de andere organisatie onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de cliënt, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a.. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt en in het geval van een jeugdige zijn ouders; b.. het gewenste resultaat van de hulpvraag; c.. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d.. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e.. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f.. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g.. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h.. de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden; i.. welke bijdrage in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, verschuldigd zal zijn; j.. de mogelijkheid een pgb te verstrekken als de cliënt dit wenst, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die mogelijke keuze; k.. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt of, in het geval van een jeugdige, de jeugdige en zijn ouders. 4.. Als de cliënt het persoonlijk plan of familieplan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college of de andere organisatie heeft verstrekt, betrekt het college of de andere organisatie dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 5.. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel