Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8

Artikel 8.6

Eisen ten aanzien van. de graaf- en grondwerkzaamheden

Onderdeel van Nadere regel kabels en leidingen gemeente Utrecht

1.. De graaf- en grondwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd conform de technische eisen uit de meest recente CROW 500-richtlijn. 2.. Te ontgraven grond, zand, teelaarde, funderingsmateriaal enz. wordt gescheiden ontgraven, vervoerd of in depot, van de netbeheerder, gezet of aangevuld. Het opbreken van een waterdoorlatende verharding en -fundering opbouw vereist vaak een speciale werkwijze die afgestemd wordt met de toezichthouder. De aanwijzingen van de toezichthouder worden altijd opgevolgd. 3.. Bij het graven van sleuven wordt het talud aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, zodat de sleufwanden niet instorten of uitzakken. Zo nodig wordt de sleufwand met schotten gestut. 4.. Er mag geen zand of vuil achterblijven in (mol)goten en straat- en trottoirkolken. In overleg met de toezichthouder kunnen straat- en trottoirkolken eventueel tijdelijk worden afgedekt, ter voorkoming hiervan. 5.. Nadat de kabels of leidingen gelegd zijn wordt de sleuf aangevuld en verdicht. Alle werkzaamheden vinden in een droge sleuf plaats. Om de oorspronkelijke profielopbouw van de ondergrond zo optimaal mogelijk te herstellen wordt het uitgegraven materiaal, vrij van stenen en dergelijke, over de volle breedte van de sleuf laagsgewijs en met zorg in de juiste volgorde terug in de sleuf gebracht. De dikten van grond-, fundering- en zandlaag of de laag teelaarde zijn gelijk aan de oorspronkelijke laagdikten. Bermen en groenstroken worden met voldoende overhoogte aangevuld. Bevroren grond of zand, sneeuw, (groen)afval en puin wordt niet verwerkt in de aanvulling. 6.. Om de juiste verdichtingsgraad te verkrijgen wordt de aanvulling uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 m waarbij elke laag, bij voorkeur met een mechanisch verdichtingsapparaat (wacker trilstamper of trilplaat), wordt verdicht. 7.. Daar waar open verharding aanwezig is wordt het oorspronkelijke zandbed direct onder de verharding, de straatlaag, hersteld. 8.. Aanvullingen in beplantingsvakken of onder gazon op een diepte van minder dan 80 cm heeft na verdichting een sondeerwaarde van maximaal 1,5 MPa. De laag met teelaarde wordt niet verdicht. 9.. De controle op het aanvullen en verdichten van de sleuven vindt plaats door of namens de netbeheerder. Indien de toezichthouder hierom vraagt overlegt de netbeheerder deze gegevens. 10.. Indien de toezichthouder constateert dat de aanvulling c.q. verdichting niet aan de door het college gestelde eisen voldoet, herstelt de netbeheerder dit binnen 5 werkdagen. 11.. Indien de oorzaak is, dat de uitgekomen grond niet voor aanvulling of verdichting geschikt is wordt deze afgevoerd. De netbeheerder levert dan nieuwe voor aanvulling benodigde grond of zand op het werk en verwerkt dit opnieuw en beperkt zich tot alleen de noodzakelijke aanvulling om de juiste verdichting te behalen. Daarna vindt wederom een controle door de toezichthouder plaats. 12.. Indien na de termijn van 5 werkdagen herstel uitblijft c.q. onvoldoende is uitgevoerd laat het college het herstel verrichten door een door het college geselecteerde aannemer tegen marktconforme kosten.

Rechtspraak bij dit artikel