Aan de leden van de raad wordt bij de aanvang van de reguliere raadsvergadering gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen.
Het lid van de raad dat gebruik wenst te maken van het in het eerste lid genoemde recht, meldt dit, onder aanduiding van het onderwerp, ten minste 24 uur, behoudens spoedeisende gevallen, voor aanvang van de vergadering bij de voorzitter. De voorzitter kan, na overleg met het presidium, weigeren een onderwerp tijdens de vergadering aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt.
De vragen worden in één termijn door het college beantwoord zonder discussiemogelijkheden voor de overige raadsleden.
Hoofdstuk 3.
Artikel 35
Mondelinge vragen
Onderdeel van Reglement van orde van de raad van Geertruidenberg houdende bepalingen over de vergaderingen en werkzaamheden van de raad 2019