Naar hoofdinhoud
1.. De uitoefening van bevoegdheden in mandaat geschiedt met in achtneming van de: grenzen van het recht, waaronder, maar niet uitsluitend de Algemene verordening gegevensbescherming; ter zake geldende uitvoeringsregels; gestelde budgettaire kaders, en relevante beleidsregels, vastgesteld door het college. 2.. De gemandateerde past de algemene dan wel specifieke instructies van het college, bedoeld in artikel 10:6, van de Algemene wet bestuursrecht, toe. 3.. Indien het college een voor een besluit relevante beleidsregel heeft vastgesteld, verwijst de gemandateerde ter motivering van een besluit naar die regel. 4.. Het college zorgt ervoor dat de gemandateerde over de informatie, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, kan beschikken die noodzakelijk is voor de uitvoering van de gemandateerde bevoegdheden. 5.. De bevoegdheid om beslissingen in mandaat bij of krachtens dit besluit te nemen bevat niet beslissingen: die de belangen van de gemandateerde zelf raken; waarbij de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaat verzet; die een afwijking inhouden van het gevoerde beleid; die de uitoefening van een hardheidsclausule inhouden, en op bezwaarschriften en beroepschriften.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel