Aan burgemeester en wethouders te delegeren de bevoegdheid:
tot het openstellen van de elektronische weg voor berichtenverkeer alsmede het stellen van nadere eisen aan het gebruik van de elektronische weg als bedoeld in artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht);
tot het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht;
tot het aan een aanvrager bieden van gelegenheid de aanvraag aan te vullen binnen een gesteld termijn en het besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen (artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht);
tot het doen van een mededeling aan de aanvrager dat een beschikking niet binnen de beslistermijn kan worden gegeven en het daarbij noemen van de termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien als bedoeld artikel 4:14 eerste en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht;
tot het doen van mededelingen in relatie tot opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet bestuursrecht;
tot het vaststellen van de verschuldigdheid van de hoogte van een dwangsom (artikel 4:18 Algemene wet bestuursrecht);
tot het besluiten om onverschuldigd betaalde dwangsommen terug te vorderen als bedoeld in artikel 4:20 tot en met 4:20f van de Algemene wet bestuursrecht;
tot het nemen en verzenden van verdagingsbesluiten als bedoeld in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht;
te beslissen op verzoeken als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter;
tot het optreden en het voeren van verweer en het voorzien in de formele procesvertegenwoordiging bij de afhandeling van door derden ingediende bezwaar en beroepschriften dan wel verzoeken om voorlopige voorziening en het voeren van overleg overeenkomstig artikel 10:30 en 10:41 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de raad als bestuursorgaan van de gemeente betrokken is.